Keer
terug...
Quidam iudaeus videns beati Nicolai
virtuosam potentiam in miraculis faciendis imaginem eius sibi fieri
praecipit eamque in sua domo collocavit, cui res suas, cum aliquo longius
iret, cum minis commendabat haec vel similia verba dicens: “Ecce
Nicolae, omnia bona mea tibi custodienda committo et, nisi omnia bene
custodieris, ultionem expetam de te verberibus et flagellis.”
Quadam igitur vice dum ille abesset, fures adveniunt, cuncta rapiunt,
solam imaginem derelinquunt. Iudaeus autem rediens et se spoliatum videns
imaginem alloquitur talibus vel similibus usus verbis: “Domine
Nicolae, nonne in domo mea te posueram, ut res meas a latronibus servares?
Cur hoc facere noluisti et latrones quare non prohibuisti? Igitur dira
tormenta recipies et pro latronibus poenam lues. Sicque damnum meum
in tuis recompensabo tormentis et furorem meum in tuis refrigerabo verberibus
et flagellis.” Accipiens ergo iudaeus imaginem dire eam verberat
direque flagellat.
Mira res prorsus et stupenda. Dividentibus
furibus, quae rapuerant, sanctus Dei, tamquam in se verbera recepisset,
apparuit haec vel similia verba dicens: “Cur tam dire pro vobis
flagellatus sum? Cur tam crudeliter verberatus? Cur tormenta tot passus?
Ecce, quomodo corpus meum livet. Ecce, qualiter effusione sanguinis
rubet. Pergite citius et cuncta reddite, quae tulistis. Alioquin Dei
omnipotentis in vos ira desaeviet, ita ut scelus vestrum in medium publicetur
et quilibet vestrum suspendium patiatur.” Ad quem illi: “Quis
es tu, qui nobis talia loqueris?” Et ille: “Ego sum Nicolaus,
servus Iesu Christi, quem iudaeus ille propter suis, quas tulistis,
tam crudeliter flagellavit.”
Territi illi ad iudaeum veniunt, miraculum
referunt, ab eo, quid imagini fecerit, audiunt, cuncta reddunt. Sicque
et latrones ad viam redeunt rectitudinis, et iudaeus fidem amplectitur
Salvatoris.
Een jood zag wat een voortreffelijke
wonderen de zalige Nicolaas kon verrichten. Daarom liet hij een beeld
van hem maken en zette dat in zijn huis neer. Aan dit Nicolaasbeeld
liet hij de zorg voor zijn bezittingen over, wanneer hij voor langere
tijd op reis ging. Dreigend sprak hij dan ongeveer als volgt: “Luister
goed, Nicolaas, ik vertrouw je al mijn spullen toe en jij moet erop
letten. Doe je dat niet, dan krijg je er flink van langs.” Dus
toen de jood een keer niet thuis was, kwam er een stel dieven, die alles
meenamen, behalve het beeld. Toen hij terugkwam en zag dat hij beroofd
was, sprak hij het beeld als volgt toe: “Beste Nicolaas, had ik
je niet in huis gehaald om mijn bezittingen tegen inbrekers te beschermen?
Waarom wilde je dat dan niet, en waarom heb je de inbrekers niet tegengehouden?
Dat zul je voelen: niet de inbrekers krijgen straf, maar jij! Ik zal
mijn verlies compenseren door jou te slaan, en mijn woede koelen door
jou er flink van langs te geven.” De jood pakte het beeld en gaf
het een stevig pak slaag.
Daarna gebeurde er iets heel wonderlijks.
Toen de dieven de buit die ze hadden geroofd, aan het verdelen waren,
verscheen plotseling de heilige man Gods. Alsof hij ze zelf ervan langs
had gekregen, sprak hij de volgende woorden: “Waarom moest ik
zo’n pak slaag krijgen en jullie niet? Waarom moest ik er zo genadeloos
van langs krijgen? Waarom moest ik zo’n pijn lijden? Kijk eens
naar die blauwe plekken! En naar die rode striemen! Schiet op, breng
alles wat jullie meegenomen hebben, terug. Anders zal de woede van de
almachtige God op jullie neerkomen. Dan komt jullie misdaad aan het
licht en wacht jullie de galg!” De dieven zeiden tegen hem: “Wie
denk je wel dat je bent, om zo tegen ons te spreken? “Waarop de
heilige sprak: “Ik ben Nicolaas, dienaar van Jezus Christus. Ik
heb van een jood een flink pak slaag gekregen omdat jullie zijn bezittingen
hebben meegenomen.”
Met de staart tussen de benen gingen
zij naar de jood toe en vertelden hem van het wonder, waarop de jood
hun zei wat hij met het beeld gedaan had. Vervolgens gaven de dieven
hem alles terug. Zo kwamen de inbrekers weer op het rechte pad, en de
jood bekeerde zich tot het geloof in de Verlosser.
Keer
terug...