Nicolaas spijzigt de hongerigen

Nicolaas spijzigt de hongerigen

Toen de provincie Lycië eens te lijden had onder een zware hongersnood, wist de heilige Nicolaas zijn mensen te redden door middel van een wonderbaarlijke graanvermenigvuldiging.

Quodam tempore totam provinciam sancti Nocolai fames valida perculit, ita ut omnibus deficerent alimenta. Audiens autem vir Dei naves onustas tritico portui applicasse. Illuc statim proficiscitur rogans nautas, ut saltem in centum modiis per quamlibet navem fame periclitantibus subvenirent. Cui illi: “Non audemus, pater. Quia mensuratum est Alexandriae, oportet in horrea imperatoris nos reddere.” Quibus sanctus dixit: “Facite nunc, quod dico, et vobis in Dei virtute promitto, quod nullam minorationem habebitis apud regium exactorem.” Quod cum fecissent et eandem mensuram, quam Alexandriae acceperant, redidissent ministris imperatoris, miraculum referunt et Deum in suo famulo magnifica laude attollunt. Frumentum autem secundum uniuscuiusque indigentiam vir Dei distribuit, ita ut miraculose duobus annis non tantum ad victum sufficeret, sed etiam ad usum seminis abundaret.

Op een gegeven moment werd de hele provincie van de heilige Nicolaas getroffen door een ernstige hongersnood, zo erg dat niemand meer te eten had. Maar toen kwam het de man Gods ter ore dat er schepen vol tarwe in haven hadden aangelegd. Onmiddellijk ging hij erheen en vroeg de zeemannen om de hongerenden met tenminste honderd schepel tarwe per schip te hulp te komen. Ze zeiden tegen hem: “Dat durven we niet, vader. Want deze tarwe is in Alexandrië gewogen en we moeten alles naar de graanschuren van de keizer brengen.” Waarop de Heilige tegen hen zei: “Doe nu maar wat ik zeg, want in naam van God garandeer ik jullie dat de keizerlijke opzichter geen enkel tekort zal constateren.” Dus deden ze wat Nicolaas vroeg. En toen ze de ambtenaren van de keizer exact evenveel tarwe hadden overhandigd als ze in Alexandrië mee hadden gekregen, begonnen ze te vertellen over het wonder, waarbij ze God in de persoon van zijn knecht uitbundig prezen. En de man Gods verdeelde het koren naar ieders behoefte. Zo was er op wonderbaarlijke wijze niet alleen voor twee jaar genoeg te eten voor iedereen, maar er was ook meer dan voldoende om te zaaien.