De christen en de jood

DE CHRISTEN EN DE JOOD (Lieven Dehandschutter)

Eregasten op de Sinterklaasavond 1991 van het Sint-Nicolaas Genootschap waren o.m. enkele mensen uit de financiële sector. Bij het ontstaan van het bankwezen in Italië ( 12de en 13de eeuw) fungeerde Nicolaas als schutsheilige. In Firenze nam de bankiersfamilie de Medici drie gouden bollen op in haar wapen - een duidelijke verwijzing naar de geldbeugels waarmee Nicolaas de eer van drie huwbare meisjes redde. De verklaring waarom Nicolaas borg staat voor de terugbetaling van leningen steunt evenwel op een, Westeuropese legende uit de 11de eeuw, nl. " De Christen en de jood " ook gekend als " De gebroken wandelstok.

Een christen, die diep in de problemen zat, leende een som geld van een jood. Hij zwoer bij een beeld van de Heilige Nicolaas zijn schuld op een bepaalde dag te vereffenen. Toen de termijn verstreken was, vroeg de jood zijn geld terug. De christen beweerde echter bij hoog en laag dat hij geen enkele schuld meer had en dat hij dan ook niets meer hoefde terug te betalen. De schuldeiser maakte de zaak aanhangig bij het gerecht. Beide partijen werden voor verschijningvoor verschijning opgeroepen. De christen, die een doortrapt iemand was, stopte het geleende geld in een holle wandelstok en nam die mee naar de rechtszaal. Toen hij de eed moest afleggen, gaf hij de stok aan de nietsvermoedende jood. Hij zwoer dat hij alles had teruggeven en nam vervolgens zijn stok terug. De jood, die door de rechter in het ongelijk werd gesteld, verliet al vloekend op de H.Nicolaas de rechtbank. De straf voor de bedrieger bleef echter niet lang uit. Op weg naar huis werd de christen overmeesterd door een enorm gevoel van slaperigheid, zo erg zelfs dat hij midden op straat insliep. Niemand bleek bij machte hem te verplaatsen. Zo gebeurde het dat hij werd doodgereden door een aanstormend gespan. Bij dit ongeval brak ook de met goudstukken gevulde wandelstok. De inderhaast bijgeroepen jood herkende het goud als het zijne, maar weigerde het te aanvaarden als Sint-Nicolaas de christen niet weer tot leven zou wekken. Nauwelijks waren deze woorden uitgesproken of de christen stond op. De jood werd door dit wonder bekeerd en liet zich met zijn ganse gezin dopen.

De oudste tekst van deze legende is te vinden in het BATTLE Abbey-handschrift (11de eeuw). In de volkstaal treft men het verhaal aan in " La Vie de Saint-Nicolas " van Robert Wace ( 12de eeuw). Een hymne uit het begin van de 13de eeuw treft men aan in de stadsbibliotheek van Namen.

Vindt men verschillende afbeeldingen van deze legende in Frankrijk en Italië, in Vlaanderen zijn ze uniek. In een boogzwik van de Gravenkapel in de O.L.Vrouwekerk te Kortrijk ziet men hoe de christen door een gespan wordt doodgereden. Het tafereel dateert uit de late 14de eeuw.

Uit deze legende groeide het gebruik om Sint-Nicolaas als getuige in te roepen bij een eed; toen de Heilige Lodewijk van Frankrijk op zijn kruistocht ( 1248-’54)tegen de Saracenen ten strijde trok, slaakte een aanvoerder een kreet: " Par saint-Nicolas! Ils ne resteront pas ici !" Later werd het gebruik ook in de Nederlanden overgenomen. Zo leest Renaat Van der Linden stelt in de " Iconografie van Sint-Niklaas in Vlaanderen " (1972) dat het motief van de legende ( het verstoppen van een geleende som in een holle stok) zeer oud is. Het komt reeds voor in een Griekse tekst uit het begin van onze tijdrekening en later ook in een Duits sprookje en in de literatuur van de Westkust van India en de Islam.

 

© Sint-Nicolaasgenootschap Vlaanderen, overgenomen uit de “Tijdingen van het Sint-Nicolaasgenootschap Vlaanderen