Uit de Legenda Aurea van Jacobus de Voragine (Joost van Neer)

Wie was Jacobus de Voragine?

voragineJacobus de Voragine werd in 1228/9 geboren in de buurt van Genua, misschien wel in de plaats waaraan hij zijn naam ontleent, Varazze. In 1244 trad hij in bij de Ordo Praedicatorum (Orde der Predikheren), die een kleine dertig jaar voordien, in 1216 om precies te zijn, was gesticht door de Spaanse priester Domingo (Dominicus) de Guzman (1170-1221). Deze orde leefde volgens de regel van Augustinus (354-430) en streefde een optimale mélange van contemplatie en actie na. Dit ideaal werd vooral geconcretiseerd in prediking en onderwijs, twee werkterreinen die duidelijk in elkaars verlengde liggen. Ook Jacobus was predikant en leraar. In 1260 werd hij prior van het Dominicanenklooster in Genua en in de perioden 1267-1278 en 1281-1286 bracht hij het zelfs tot provinciaal van Lombardije. Hoewel al in 1286 tot aartsbisschop van Genua gekozen, bekleedde hij dit hoge kerkelijke ambt pas vanaf 1292. Op 14 juli 1298 stierf hij in het harnas. Hij werd begraven in de Dominicanenkerk te Genua. In 1816 werd hij door paus Pius VII zalig verklaard.
(bron: Zuidweg 1948).

Jacobus’ oeuvre: drie hoofdlijnen

Jacobus de Voragine liet drie soorten werken na.

Allereerst bouwde hij gedurende zijn werkzame leven als predikant en leraar een grote verzameling Sermones (Preken) op, die naast de zondag, de vastentijd en Maria (die hij bijzonder vereerde) ook de heiligen en de kerkelijke hoogfeesten tot onderwerp hadden.
Daarnaast stelde hij als jonge geleerde, niet alleen gebruik makend van de enorme kennis en de brede scala aan vaardigheden die hij in prediking en onderwijs had opgedaan, maar ook van de Dominicaanse ideologie, zijn scherpe neus voor sterke verhalen en een volmaakte inschatting van het juiste moment (het befaamde “gat in de markt”), rond 1265 een omvangrijk werk samen, dat hij zelf Legenda Sanctorum (Heiligenlegenden) noemde. Omdat dit werk, dat duidelijk aan een behoefte voldeed, zich al tijdens Jacobus’ leven in een buitengewone populariteit mocht verheugen, werd het al gauw liefkozend Legenda Aurea (Gouden Legenden) genoemd. Onder deze titel is het tot op de dag van vandaag bekend. Er zijn vele handschriften van overgeleverd, zo veel dat het zelfs de bijbel naar de kroon stak. Belangrijk voor het succesverhaal van de Legenda Aurea waren niet alleen de aard van het werk en de toegepaste formule, maar ook de boekdrukkunst en de vertalingen, die het werk al heel snel behalve in het Latijn ook in vele volkstalen beschikbaar maakten. De oudste (middel-)Nederlandse vertaling stamt uit 1357.
Het laatste werk dat Jacobus schreef, was de Chronica civitatis Ianuensis (Kroniek van de stad Genua), een stichtelijke geschiedenis van zijn stad, waaraan hij van 1293 tot kort voor zijn dood werkte (de laatste vermeldingen stammen uit 1297).
De Legenda Aurea

De Legenda Aurea vertegenwoordige een nieuw literair genre, dat zich in de eerste helft van de dertiende eeuw had ontwikkeld uit behoefte en daarom een hoge vlucht kon maken: de legenda nova of abbreviationes. In dit type geschriften, of exacter: compilaties, wordt de bestaande stof niet alleen bekort, maar ook herschreven, en, voorzien van een proloog, tot een samenhangend geheel gemaakt. Met andere woorden: de inhoud wordt voor iedereen toegankelijk gemaakt. Was het lezen van heiligenlevens voorheen voorbehouden aan geestelijken, dankzij de nieuwe aanpak konden ze nu ook tot de gewone gelovigen doordringen.

Zoals al werd gesuggereerd, is de Legenda Aurea inhoudelijk geen origineel werk. Jacobus was een compilator die vele tientallen bronnen gebruikte voor zijn heiligenlevens. Zijn kracht ligt in de originaliteit van zijn redactie, in het creatief combineren van kortere of langere fragmenten uit al zijn bronnen. Grensverleggend was hij echter vooral in het feit dat hij heiligenlevens en beschrijvingen van kerkelijke hoogfeesten combineerde. Op dit punt liet hij zijn voorgangers Jean de Mailly en Bartholomeus Tridentinus ver achter zich. Controleren deed hij zijn bronnen zelden of nooit. Het enige waarop hij voortdurend bleef letten, was of de verhalen pakkend genoeg waren om de aandacht van de lezer op de stichtelijke context gevestigd te kunnen houden.

De populariteit van de Legenda Aurea, die het werk nog vele navolgers zou geven, duurde tot in de vijftiende eeuw. In die tijd was de markt verzadigd. Daarbij kwam nog dat de Reformatie haar invloed begon te doen voelen, waardoor de heiligenverering onder druk kwam te staan, ook in katholieke kringen.

De heilige Nicolaas

In de Legenda Aurea behandelt Jacobus vier soorten heiligen: de heiligen van de kalender (martelaren, maagden en belijders, vooral uit de eerste vier eeuwen), locale heiligen, in Jacobus’ tijd nog levende heiligen (charismatische figuren) en heiligen zonder historie. Nicolaas, die – als we op bepaalde gegevens afgaan, zou hebben geleefd van ca. 270 tot ca. 340 - behoort tot de eerste groep: mensen die nooit officieel heilig zijn verklaard, maar die al heel vroeg het predikaat heilig kregen toegekend omdat ze hun bijzondere vermogens aan God zelf zouden ontlenen. Dat kwam dan doordat de heilige Geest in hen werkte. Bovendien leefden ze op een hoogstaande manier: zuiver van hart en volgens de wil van God. Ook hadden ze een bovenaardse macht. Zo beschikten ze over de macht van de profetie en konden ze wonderen verrichten. In het hoofdstuk dat Jacobus aan de heilige Nicolaas heeft gewijd, treden al deze kenmerken in meerdere of mindere mate naar voren.

Jacobus opent het hoofdstuk over Sint Nicolaas met een aantal mogelijkheden om zijn naam uit te leggen. Vervolgens beschrijft hij een aantal belangrijke, opvallende en wonderlijke gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden vanaf Nicolaas’ geboorte tot aan zijn (natuurlijke) dood. Maar ook na zijn dood blijft zijn vermogen om wonderdadige krachten in werking te stellen onverminderd bestaan. Het een en ander blijkt vooral tot doel te hebben andersdenkenden (heidenen (bijvoorbeeld in De wraak van Diana) en joden (bijvoorbeeld in De bedrieger bestraft en Een beeld krijgt ervan langs)) te winnen voor het christelijke geloof.

In de verhalen is een aantal elementen die later voor de geversheilige zo kenmerkend zouden worden, al in de kiem aanwezig.

Naamsverklaring

Wat betekent de naam Nicolaas?

Jacobus begint zijn levensbeschrijving van de heilige Nicolaas met de opsomming van een aantal mogelijke en onmogelijke verklaringen van diens naam. De laatste twee daarvan zijn leuk gevonden, maar kloppen zeker niet. Na de naamsverklaring volgt een vage vermelding van enige bronnen.

Nicolaus dicitur a nicos, quod est victoria, et laos, quod est populus, id est: Nicolaus, quasi victoria populi, id est: vitiorum quae et popularia et vilia sunt; vel victoria proprie, quia multos populos vita et doctrina docuit vitia et peccata vincere. Vel Nicolaus dicitur a nicos, quod est victoria et laus, quasi victoriosa laus; vel a nitor et laus, quod est populus, quasi nitor populi. Habuit enim in se ea, quae nitorem et munditiam faciunt. Nam secundum Ambrosium mundat sermo divinus, mundat vero confessio, mundat sancta cogitatio, mundat bona operatio.

Eius legendam doctores Argolici conscripserunt. Est enim Argos secundum Ysidorum civitas Graeciae, unde Argolici Graeci vocantur. Alibi quoque legitur, quod Methodius patriarcha eam Graece conscripsit, quam Johannes diaconus in latinum transtulit et plura addidit.

De naam "Nicolaas" komt van nikos, overwinning, en laos, volk. "Nicolaas" kan dus worden vertaald als overwin­ning van het volk, dat wil zeggen: het overwinnen van de gewone fouten die nu eenmaal voorkomen onder het volk. Overwinning van het volk kan ook betekenen: overwinnen in die zin dat Nicolaas vele volken door zijn levenswijze en onderricht volken heeft geleerd hoe ze fouten en zon­den moesten over­winnen. Verder is het niet onmogelijk dat Nicolaas van nikos, overwin­ning, en laus, lof, komt, dus: lof na de over­winning. Of mis­schien ook wel van nitor, schitterende straling, en laos, volk. Dan zou zijn naam betekenen: de schitterende straling van het volk. Hij be­zat immers die eigenschappen die schitterende straling en zuiverheid be­werkstelligen. Vol­gens Ambrosius maakt luisteren naar het Woord van God immers zuiver, e­venals oprecht belijden, heilige gedachten koesteren en goede werken verrichten (vgl. Ambrosius van Milaan, De apologia David ad Theodosium Augustum, 8,45).

Nicolaas' leven is beschreven door geleerden uit Argos. Volgens Isi­dorus is Argos een stad in Grieken­land (vgl. Isidorus van Sevilla, Etymologiarum sive Originum, 15,1,48). Naar deze stad worden de Grieken ook wel Arg­oliërs genoemd. Elders staat te lezen dat ook de patri­arch Me­thodius een levensbeschrijving van Nicolaas heeft gemaakt, in het Grieks. Johannes Diaco­nus heeft daar vervolgens een Latijnse ver­taling van gemaakt en er het nodige aan toe­gevoegd.


Nicolaas' jeugd en kindertijd

staat op in badOnmiddellijk na zijn geboorte ontpopte Nicolaas zich als een bijzondere jongen. Hij gedroeg zich onalledaags. Zo vastte hij al als baby, ging hij als puber liever naar de kerk dan naar de kroeg, en verlangde hij er als jongeman naar om aan liefdadigheid te doen.

Nicolaus civis Paterae urbis ex divitibus et sanctis parentibus originem duxit. Pater eius Epiphanes, mater vero Iohanna dicta est. Quem cum primaevo iuventutis suae flore parentes genuissent, deinceps caelibem vitam duxerunt. Hic prima die, dum balnearetur, erectus stetit in pelvi. Insuper quarta et sexta feria tantum semel sugebat ubera. Factus autem iuvenis aliorum devitans lascivias ecclesiarum potius terebat limina et, quidquid ibi de sacra scriptura intellegere poterat, memoriter retinebat. Parentibus vero suis defunctis cogitare coepit, qualiter tantam divitiarum copiam non ad laudem humanam, sed ad Dei gloriam dispensaret.

Nicolaas, geboren en getogen in de stad Patara, was de zoon van rijke en vrome ouders. Zijn vader heette Epiphanes, zijn moe­der Johanna. Vanaf het moment dat zijn ouders hem - in de bloei van hun jeugd - ter wereld hadden gebracht, l­eefden ze in onthouding. Al op de eerste dag stond hij, toen ze hem in bad deden, rechtop in de kuip. Bovendien wilde hij op woensdag en vrijdag slechts éénmaal aan de borst.

Als jongeman hield hij zich ver van het losbandige leven dat zijn leeftijdgenoten leidden, en gaf er de voorkeur aan om kerken te bezoekn. Alles wat hij daar maar te weten kon komen van de Heili­ge Schrift kon be­grijpen, nam hij goed in zich op. Na de dood van zijn ouders be­gon hij erover na te den­ken hoe hij zo'n enorm vermogen zou kunnen besteden, en dan niet tot lof van de men­sen, maar ter ere van God.

Nicolaas weigert de borst - 12de eeuw


De drie meisjes

maagdenOm de eer van drie meisjes uit de buurt, wier vader aan lager wal was geraakt, te redden, gaf de jonge Nicolaas een vermogen uit. Dit is een van de bekendste en meest uitgebeelde verhalen van de latere heilige, hetgeen niet in het minst komt omdat het getal drie er – als symbool voor de Drie-eenheid – een belangrijke rol in speelt.

Tunc quidam contermineus suus satis nobilis tres filias ob inopiam prostituere cogitur, ut sic earum commercio aleretur. Quod ubi sanctus comperit, scelus abhorruit et massam auri panno involutam in domum eius per fenestram nocte clam iecit et clam recessit. Mane autem surgens homo massam auri reperit et Deo gratiam agens primogenitae nuptias celebravit. Non multo post tempore Dei famulus simile peregit opus. Quod rursus ille reperiens et in laudes immensas prorumpens de cetero vigilare proposuit, ut sciret, quis esset, qui suae inopiae subvenisset. Post paucos etiam dies duplicatam auri massam in domum proiecit, ad cuius sonitum ille excitatur et Nicolaum fugientem insequitur talique voce alloquitur: “Siste gradum teque aspectui ne subtrahas meo.” Sicque accurrens velocius Nicolaum hunc esse cognovit. Mox humi prostratus osculari volebat pedes eius, quod ille refutans ab eo exegit, ne eum, quamdiu viveret, publicaret.

Op dat moment werd een buur­man van hem, die van redelijk goede komaf was, door armoede ge­dwongen om zijn drie dochters te laten tippelen, zodat ze van hun inkomsten konden leven. Toen dit de Heilige ter ore kwam, was hij zo verbolgen over dat goddeloze besluit, dat hij 's nachts - zonder dat ie­mand het merkte - een klompje goud, dat hij in een doekje had gewikkeld, bij zijn buur­man door het raam naar binnen gooide, waarop hij stilletjes wegliep. Toen de man 's mor­gens opstond, vond hij het klompje goud, dankte God en vierde meteen de bruiloft van zijn oudste dochter. Niet lang daarna deed de knecht van God hetzelfde nog eens. En toen de buur­man opnieuw wat goud vond en in geweldige loftuitingen uitbarstte, besloot hij om vanaf dat moment wak­ker te b­lijven, om erachter te ko­men, wie het toch was die hem in zijn armoede te hulp was gekomen. Na en­ige dagen wierp Nicolaas weer een goud naar binnen, nu zelfs twee klompjes.

Door het geluid waarmee het goud op de grond viel, werd de man wakker en ging achter de wegrennende Nicolaas aan. Hij riep naar hem: “Blijf staan en verberg je niet voor mij.” Toen hij hem eindelijk in had gehaald, zag hij dat het Nico­laas was. Meteen viel hij op de grond om diens voe­ten te kussen. Nicolaas ver­zette zich daartegen. Hij verzocht de man met klem om, zolang hij in leven was, niet over het voor­val te spreken.

Nicolaas wordt bisschop

bisschopskeuzeDe bijzondere manier waarop Nicolaas bisschop werd, is niet aan de aandacht van Jacobus ontsnapt. Volgens een sluw plannetje van een invloedrijke bisschop (die het proces misschien wel aanstuurde) werd de eerste de beste die ‘s morgens naar de kerk zou komen en Nicolaas heette (hetgeen in veler ogen een wat vreemd aandoend eisenpakket is) gedwongen om bisschop te worden. De reactie van Nicolaas getuigt van een combinatie van goede smaak en nederigheid, want hoewel hij aanvankelijk tegenstribbelde, aanvvaardde hij het ambt wel. Hij zou geen slechte bisschop worden. Om de historiciteit van het verhaal te benadrukken, vermeldt Jacobus in de laatste regel dat Nicolaas in 325 het Concilie van Nicea heeft bijgewoond.

Post hoc Myreae civitatis defuncto episcopo convenerunt episcopi illi ecclesiae de episcopo provisuri. Aderat autem inter eos quidam magnae auctoritatis episcopus, ad cuius electionem omnium sententia dependebat. Cum igitur cunctos ieiuniis et orationibus insistere monuisset, nocte illa vocem audivit dicentem sibi, ut hora matutina fores ecclesiae observaret et, quem primum ad ecclesiam, cuius etiam nomen esset Nicolaus, venire conspiceret, ipsum in episcopum consecraret. Hoc ergo aliis revelans episcopis admonuit, ut omnes orationibus insisterent et ipse pro foribus excubaret. Mirum in modum in hora matutinali quasi a Deo missus ante omnes se agebat Nicolaus, quem apprehendens episcopus dixit ei: “Quod tibi nomen est?” Ille ut erat columbina simplicitate plenus, inclinato capite: “Nicolaus,” inquit, “vestrae sanctitatis servus.” Quem in ecclesiam ducentes licet plurimum renitentem in cathedram collocarunt. Ipse autem eandem quam prius humilitatem et morum gravitatem in omnibus sectabatur, in oratione pervigilabat, corpus macerabat, mulierum consortia fugiebat, humilis erat in omnes suspiciendo, efficax in loquendo, alacer in exhortando, severus in corripiendo. Fertur quoque, sicut legitur in chronica quadam, Nicolaum Nicaeno interfuisse concilio.

Kort hierna stierf de bisschop van Myra, en alle bisschop­pen uit die streek kwamen bijeen om voor die gemeente een nieuwe bisschop te kiezen. Nu was er onder hen één bisschop die bijzonder veel aanzien genoot, en van wiens mening het oordeel van alle anderen afhing. Welnu, toen die iedereen had aangespoord om zonder ophouden te blijven vasten en bidden, hoorde hij ‘s nachts een stem die hem vertelde dat hij de kerkdeur ’s morgens in alle vroegte goed in de gaten moest houden, en dat hij diegene die hij als eerste naar de kerk zou zien komen, en wiens naam bovendien Nicolaas was, tot bisschop moest wijden.

Terwijl hij dit dus aan de andere bisschoppen uit zat te leggen, drong hij er bij hen allen op aan dat ze zonder ophouden moesten blijven bidden. Zelf zou hij voor de kerkdeur wacht houden. Op wonderbaarlijke wijze ver­scheen Nicolaas ’s morgens in alle vroegte, alsof hij door God gezonden was, nog vóór alle anderen. De bisschop hield hem tegen en vroeg hem: “Hoe heet u?” Hij ant­woordde, vervuld van de eenvoud van een duif, en met het hoofd gebogen: “Ik heet Nicolaas, en ik ben een dienaar van uw heilig­heid.” Ze leidden hem onder hevig tegenstrib­belen de kerk binnen en zetten hem op de bisschopsze­tel. Maar hij bleef in alles dezelfde nederigheid en hetzelfde serieuze gedrag aan de dag leggen als voorheen. Hij bracht de nacht door in gebed, kastijdde zijn lichaam en meed het gezel­schap van vrouwen. Hij was nederig in de omgang met iedereen. Hij was krachtdadig in het spreken, ijverig in het aansporen van mensen en streng in het straffen. Ook zegt men dat Nicolaas, zoals te lezen staat in een oude Kroniek, het Concilie van Nicea zou hebben bijgewoond.

Nicolaas stilt een storm

zeeluiNicolaas stilt een storm De setting van het verhaal doet een beetje denken aan dat over de storm op het meer uit het evangelie (Mt 14,22-33), met dien verstande dat Nicolaas de wonderbaarlijke redding niet aan zichzelf toegeschreven wil hebben, maar aan de barmhartigheid van God en het geloof van de zeelieden. Nicolaas als medium tussen God en de mensen.

Quadam autem die dum quidam nautae periclitarentur, ita cum lacrimis oraverunt: “Nicolae, famule Dei, si vera sunt, quae de te audimus, nunc ea experiamur.” Mox quidam in eius similitudinem apparuit dicens: “Ecce assum. Vocastis enim me.” Et coepit eos in antennis et rudentibus aliisque iuvare navis armamentis, statimque cessavit tempestas. Cum autem ad eius ecclesiam venissent, quem numquam ante viderant, sine indice cognoverunt. Tunc Deo et sibi de liberatione gratias egerunt. Quod ille divinae misericordiae et eorum fidei, non suis meritis attribuere docuit.

Op zekere dag stortten een paar zeelieden, toen ze in gevaar ver­keerden, onder tranen de volgende smeekbede: “Nicolaas, knecht van God, als het waar is, wat wij over u horen, laat ons dat dan nu ervaren.” Meteen verscheen er iemand die op Nicolaas leek, en zei: “Kijk, hier ben ik dan! Jullie hebben me toch geroepen?” En hij begon hen te hel­pen met de zeilen, de touwen en het andere tuig. Meteen ging de storm liggen. Toen ze in zijn kerk gekomen waren, herkenden ze hem zonder enige aanwijzing, hoewel ze hem eerder nog nooit hadden gezien. Ze dankten God en Nicolaas voor hun redding. Maar hij legde hun uit dat ze die niet aan zíjn verdiensten te danken hadden, maar aan Gods ge­nade en hun eigen geloof.

Nicolaas spijzigt de hongerigen

Toen de provincie Lycië eens te lijden had onder een zware hongersnood, wist de heilige Nicolaas zijn mensen te redden door middel van een wonderbaarlijke graanvermenigvuldiging.

Quodam tempore totam provinciam sancti Nocolai fames valida perculit, ita ut omnibus deficerent alimenta. Audiens autem vir Dei naves onustas tritico portui applicasse. Illuc statim proficiscitur rogans nautas, ut saltem in centum modiis per quamlibet navem fame periclitantibus subvenirent. Cui illi: “Non audemus, pater. Quia mensuratum est Alexandriae, oportet in horrea imperatoris nos reddere.” Quibus sanctus dixit: “Facite nunc, quod dico, et vobis in Dei virtute promitto, quod nullam minorationem habebitis apud regium exactorem.” Quod cum fecissent et eandem mensuram, quam Alexandriae acceperant, redidissent ministris imperatoris, miraculum referunt et Deum in suo famulo magnifica laude attollunt. Frumentum autem secundum uniuscuiusque indigentiam vir Dei distribuit, ita ut miraculose duobus annis non tantum ad victum sufficeret, sed etiam ad usum seminis abundaret.

Op een gegeven moment werd de hele provincie van de heilige Nicolaas getroffen door een ernstige hongersnood, zo erg dat niemand meer te eten had. Maar toen kwam het de man Gods ter ore dat er schepen vol tarwe in haven hadden aangelegd. Onmiddellijk ging hij erheen en vroeg de zeemannen om de hongerenden met tenminste honderd schepel tarwe per schip te hulp te komen. Ze zeiden tegen hem: “Dat durven we niet, vader. Want deze tarwe is in Alexandrië gewogen en we moeten alles naar de graanschuren van de keizer brengen.” Waarop de Heilige tegen hen zei: “Doe nu maar wat ik zeg, want in naam van God garandeer ik jullie dat de keizerlijke opzichter geen enkel tekort zal constateren.” Dus deden ze wat Nicolaas vroeg. En toen ze de ambtenaren van de keizer exact evenveel tarwe hadden overhandigd als ze in Alexandrië mee hadden gekregen, begonnen ze te vertellen over het wonder, waarbij ze God in de persoon van zijn knecht uitbundig prezen. En de man Gods verdeelde het koren naar ieders behoefte. Zo was er op wonderbaarlijke wijze niet alleen voor twee jaar genoeg te eten voor iedereen, maar er was ook meer dan voldoende om te zaaien.

De wraak van Diana

dianaboomIn zijn prille jeugd had het christendom nog heel wat appeltjes te schillen met de oude Grieks-Romeinse religie. Vooral op het platteland bleef men de oude goden en godinnen hardnekkig trouw. De godin Diana (Artemis) wordt door Jacobus de Voragine in dit verhaal geïdentificeerd met de duivel, de oude vijand. Deze bedient zich vaak van magie, hetgeen zijn aura van leugenachtigheid versterkt. Achter de Mydyatische olie (waarschijnlijk een mengsel van olie en fosfor) gaat de antieke mythische tovenares Medea schuil.

Cum autem regio illa idolis deservisset, prae ceteris nefandae Dianae simulacrum populus coluerat adeo, ut usque ad tempus viri Dei nonnulli rustici praedictae religioni exsecrabili deservirent ac sub quadam arbore consecrata Dianae quosdam ritus gentilium exercerent. Ac vir Dei praedictum ritum de omnibus finibus expulit ipsamque arborem praecidi mandavit. Iratus ex hoc contra eum hostis antiquus oleum Mydyatum, quod in naturam in aqua et lapidibus ardet, confecit seque in formam religiosae feminae transfigurans quibusdam ad virum Dei navigantibus in quadam saginula obviavit sicque affata est eos: “Mallem ad sanctum Dei venire vobiscum, sed nequeo. Rogo ergo vos, ut hoc oleum ad eius ecclesiam offeratis et ob mei memoriam exinde aulae eius parietes liniatis.” Et stam evanuit.

Et ecce aliam cernunt naviculam cum honestis personis, inter quos erat simillimus sancto Nicolao, qui sic ait illis: "“eu quid mulier illa locuta est vobis vel quid attulit?"”Illi autem cuncta per ordinem narraverunt. Quibus ille: "“aec est impudica Diana, et ut me verum dicere comprobetis, oleum illud in mare proicite.” Quibus proicientibus ingens ignis in mari succenditur et contra naturam diutius in mari ardens conspicitur. Venientes igitur ad servum Dei aiebant: “Vere tu es ille, qui nobis in mari apparuisti et a diaboli insidiis liberasti.”

In die streek had men vroeger aan afgodenverering gedaan. Vooral het beeld van de goddeloze Diana was daarbij zo krachtig vereerd, dat een paar boeren - totdat de tijd van de man Gods was aangebroken - de juist genoemde vervloekte religie aanhingen en onder een aan Diana gewijde boom bepaalde heidense riten voltrokken. Maar de man Gods zuiverde het hele gebied van de genoemde riten, en de boom liet hij omhakken. De oude vijand was woedend op hem en bereidde daarom Mydyatische olie, die tegen elke verwachting in in contact met water of stenen vlam vat. Daarna veranderde hij zichzelf in een vrome vrouw, voer in een bootje een groepje mensen tegemoet die op weg waren naar de man Gods, en sprak als volgt tot hen: “Ik zou het liefst met u meegaan naar de heilige man Gods, maar ik kan niet. Daarom wil ik u vragen om deze olie naar zijn kerk te brengen. Daarna moet u er ter herinnering aan mij de wanden van het gebouw mee insmeren.” En onmiddellijk verdween hij.

Opeens kregen ze een ander bootje met fatsoenlijke mensen in het oog. Onder deze mensen bevond zich iemand die sprekend op de heilige Nicolaas leek. Die zei het volgende tegen hen: “Wat heeft die vrouw tegen u gezegd, en wat heeft ze u gegeven?” Ze vertelden hem alles van a tot z. Waarop hij tegen hen zei: “Dat is die schaamteloze Diana weer. En om u ervan te vergewissen dat ik de waarheid spreek, moet u die olie maar eens in de zee gooien.” Dat deden ze, en er ontstond een geweldig vuur op de zee. Tegen elke verwachting in konden ze het een hele tijd op de zee zien branden. Dus toen ze bij de knecht Gods kwamen, zeiden ze: “U bent het echt, u bent de man die ons op zee verscheen en ons van de streken van de duivel bevrijdde.”

De drie veldheren

Nicolaas’ dood

De bedrieger gestraft: Nicolaas en de jood

Vir quidam ab uno iudaeo quandam summam pecuniae mutuo accepit iurans super altare sancti Nicolai, cum alium fideiussorem habere nequiret, quod, quam citius posset, sibi redderet. Tenente autem illo diu pecuniam iudaeus eam expostulavit, sed eam sibi reddidisse affirmat. Trahit ergo eum ad iudicium, et iuramentum indicitur debitori. Ille baculum cavatum, quem auro minuto impleverat, secum detulerat, ac si eius adminiculo indigeret. Volens igitur facere iuramentum iudaeo baculum tradidit reservandum. Iuravit ille, quod plus igitur reddiderit etiam, quam deberet. Facto iuramento baculum suum repetiit, et iudaeus ignarus astutiae eum sibi reddidit.

Rediens autem, qui fraudem fecerat, in quodam bivio oppressus corruit somno currusque cum impetu veniens eum necavit et plenum baculum auro fregit et aurum effudit.

Audiens hoc iudaeus concitus illico venit cumque dolum vidisset et a multis ei suggereretur, ut aurum reciperet, omnino renuit, nisi, qui defunctus fuerat, ad vitam beati Nicolai meritis redderetur, asserens se, si hoc fieret, baptismum suscepturum et christianum futurum. Continuo qui defunctus fuerat, suscitatur, et iudaeus in Christi nomine baptizatur.

Een man leende van een jood wat geld. Hij zwoer bij het altaar van de heilige Nicolaas dat hij het hem zo snel mogelijk terug zou geven. Hij kon namelijk niemand anders vinden die voor hem garant wilde staan. Maar omdat de man het geld maar niet terugbetaalde, kwam de jood het opeisen. De man beweerde echter dat hij het hem allang had teruggegeven. Daarom sleepte de jood hem voor de rechter, die de schuldenaar een eed afdwong. Deze had een uitgeholde wandelstok bij zich, die hij met goudstukken had gevuld, en hij deed alsof hij die stok nodig had bij het lopen. Dus toen hij zijn eed wilde zweren, gaf hij de stok zolang aan de jood. Hij verzekerde hem dat hij hem zelfs meer had teruggeven dan hij verschuldigd was geweest. Nadat hij zijn eed had gezworen vroeg hij zijn stok terug. De jood doorzag het bedrog niet en deed wat hem gevraagd was.

Maar op weg terug naar huis viel de bedrieger op een tweesprong om van de slaap. Een wagen die daar met grote snelheid voorbijkwam, reed hem dood, waarbij de stok vol goud brak en de goudstukken eruit vielen.

Toen de jood dit hoorde, kwam hij snel kijken en doorzag de list meteen. Velen raadden hem aan de goudstukken mee te nemen. Maar dat weigerde hij beslist, tenzij de dode door de hulp van de zalige Nicolaas weer tot leven zou worden gewekt. Hij verzekerde dat hij zich, als dat gebeurde, zou laten dopen en christen zou worden. Meteen werd de dode weer tot leven gewekt, waarna de jood in naam van Christus werd gedoopt.

Een beeld krijgt er van langs

Quidam iudaeus videns beati Nicolai virtuosam potentiam in miraculis faciendis imaginem eius sibi fieri praecipit eamque in sua domo collocavit, cui res suas, cum aliquo longius iret, cum minis commendabat haec vel similia verba dicens: “Ecce Nicolae, omnia bona mea tibi custodienda committo et, nisi omnia bene custodieris, ultionem expetam de te verberibus et flagellis.” Quadam igitur vice dum ille abesset, fures adveniunt, cuncta rapiunt, solam imaginem derelinquunt. Iudaeus autem rediens et se spoliatum videns imaginem alloquitur talibus vel similibus usus verbis: “Domine Nicolae, nonne in domo mea te posueram, ut res meas a latronibus servares? Cur hoc facere noluisti et latrones quare non prohibuisti? Igitur dira tormenta recipies et pro latronibus poenam lues. Sicque damnum meum in tuis recompensabo tormentis et furorem meum in tuis refrigerabo verberibus et flagellis.” Accipiens ergo iudaeus imaginem dire eam verberat direque flagellat.

Mira res prorsus et stupenda. Dividentibus furibus, quae rapuerant, sanctus Dei, tamquam in se verbera recepisset, apparuit haec vel similia verba dicens: “Cur tam dire pro vobis flagellatus sum? Cur tam crudeliter verberatus? Cur tormenta tot passus? Ecce, quomodo corpus meum livet. Ecce, qualiter effusione sanguinis rubet. Pergite citius et cuncta reddite, quae tulistis. Alioquin Dei omnipotentis in vos ira desaeviet, ita ut scelus vestrum in medium publicetur et quilibet vestrum suspendium patiatur.” Ad quem illi: “Quis es tu, qui nobis talia loqueris?” Et ille: “Ego sum Nicolaus, servus Iesu Christi, quem iudaeus ille propter suis, quas tulistis, tam crudeliter flagellavit.”

Territi illi ad iudaeum veniunt, miraculum referunt, ab eo, quid imagini fecerit, audiunt, cuncta reddunt. Sicque et latrones ad viam redeunt rectitudinis, et iudaeus fidem amplectitur Salvatoris.

Een jood zag wat een voortreffelijke wonderen de zalige Nicolaas kon verrichten. Daarom liet hij een beeld van hem maken en zette dat in zijn huis neer. Aan dit Nicolaasbeeld liet hij de zorg voor zijn bezittingen over, wanneer hij voor langere tijd op reis ging. Dreigend sprak hij dan ongeveer als volgt: “Luister goed, Nicolaas, ik vertrouw je al mijn spullen toe en jij moet erop letten. Doe je dat niet, dan krijg je er flink van langs.” Dus toen de jood een keer niet thuis was, kwam er een stel dieven, die alles meenamen, behalve het beeld. Toen hij terugkwam en zag dat hij beroofd was, sprak hij het beeld als volgt toe: “Beste Nicolaas, had ik je niet in huis gehaald om mijn bezittingen tegen inbrekers te beschermen? Waarom wilde je dat dan niet, en waarom heb je de inbrekers niet tegengehouden? Dat zul je voelen: niet de inbrekers krijgen straf, maar jij! Ik zal mijn verlies compenseren door jou te slaan, en mijn woede koelen door jou er flink van langs te geven.” De jood pakte het beeld en gaf het een stevig pak slaag.

Daarna gebeurde er iets heel wonderlijks. Toen de dieven de buit die ze hadden geroofd, aan het verdelen waren, verscheen plotseling de heilige man Gods. Alsof hij ze zelf ervan langs had gekregen, sprak hij de volgende woorden: “Waarom moest ik zo’n pak slaag krijgen en jullie niet? Waarom moest ik er zo genadeloos van langs krijgen? Waarom moest ik zo’n pijn lijden? Kijk eens naar die blauwe plekken! En naar die rode striemen! Schiet op, breng alles wat jullie meegenomen hebben, terug. Anders zal de woede van de almachtige God op jullie neerkomen. Dan komt jullie misdaad aan het licht en wacht jullie de galg!” De dieven zeiden tegen hem: “Wie denk je wel dat je bent, om zo tegen ons te spreken? “Waarop de heilige sprak: “Ik ben Nicolaas, dienaar van Jezus Christus. Ik heb van een jood een flink pak slaag gekregen omdat jullie zijn bezittingen hebben meegenomen.”

Met de staart tussen de benen gingen zij naar de jood toe en vertelden hem van het wonder, waarop de jood hun zei wat hij met het beeld gedaan had. Vervolgens gaven de dieven hem alles terug. Zo kwamen de inbrekers weer op het rechte pad, en de jood bekeerde zich tot het geloof in de Verlosser.

Door de duivel gedood, door Nicolaas gered

Een vader steekt zijn verering voor Sint Nicolaas niet onder stoelen of banken. Wanneer de duivel zijn zoon doodt, doet hij dan ook een dringend beroep op de heilige.

Vir quidam pro amore filii sui litteras addiscentis festum sancti Nicolai annuatim solemniter celebrabat. Quadam igitur vice pater pueri convivium praeparavit et multos clericos invitavit. Venit autem diabolus ad ianuam in habitu peregrini petens eleemosynam sibi dari. Iubet quantocius pater filio ut det eleemosynam peregrino. Properat puer, sed peregrinum non inveniens insequitur abeuntem. Cumque ad quoddam compitum pervenisset, apprehendens diabolus puerum, eum strangulavit. Quod audiens pater vehementer ingemuit, corpus tulit, in thalamo collocavit coepitque prae dolore clamare et dicere: "Fili dilectissime, quomodo est vobis? Sancte Nicolae haeccine est merces honoris, quem vobis tamdiu exhibui." Et cum haec et similia diceret, statim puer quasi de somno evigilans oculos aperuit et surrexit.’

Een man had de gewoonte om uit liefde voor zijn zoon die letteren studeerde, ieder jaar plechtig het feest van de heilige Nicolaas te vieren. Op een keer liet hij een feestmaal aanrichten en nodigde daarvoor vele geestelijken uit. De duivel kwam gekleed als een pelgrim aan de deur en vroeg om een aalmoes. De vader vroeg zijn zoon de pelgrim zo snel mogelijk een aalmoes te geven. De jongen haastte zich, maar omdat hij de pelgrim niet meer bij de deur zag staan, liep hij hem een stukje achterna. Toen hij bij een kruising was aangekomen, greep de duivel hem vast en wurgde hem. Toen dat de vader ter ore kwam, was hij diep bedroefd. Hij tilde het lichaam op, bracht het naar de slaapkamer en begon het van verdriet uit te schreeuwen: “Mijn allerliefste zoon, hoe kon dit toch gebeuren? Heilige Nicolaas, is dit nu de beloning voor de eer die ik u zo lang heb betoond?” En nog terwijl hij dit soort dingen zei, opende de jongen zijn ogen, alsof hij wakker werd uit de slaap, en hij stond op.

Bekerlegende

Beloofd is beloofd. Toen het een edelman erg veel moeite kostte om het offer dat hij Sint Nicolaas als dank voor het "regelen" van een zoon in het vooruitzicht had gesteld, ook werkelijk te brengen, nam de heilige zo zijn eigen maatregelen.

Vir quidam nobilis rogavit beatum Nicolaum, ut sibi filium a Domino impetraret, promittens, se filium ad ecclesiam eius ducturum et scyphum aureum oblaturum. Filius igitur nascitur et ad aetatem perducitur et scyphus fieri iubetur. Qui dum sibi valde placeret, suis eum adaptavit usibus et alium aeque valentem fieri praecepit. Navigantibus itaque ad ecclesiam sancti Nicolai iubet pater filio, ut in illo scypho, quem primo fieri fecit, aquam sibi afferret. Puer autem, cum vellet haurire cum scypho, in mare cecidit et statim disparuit. Pater autem amare flens nihilominus votum suum perfecit. Veniens igitur ad altare sancti Nicolai cum obtulisset secundum scyphum tamquam proiectus cecidit de altari; cum autem eum elevasset et super altare iterum posuisset, rursus de altari longius est proiectus. Mirantibus omnibus ad tam grande spectaculum ecce puer sanus et incolumis advenit primum scyphum suis gestans manibus, narravitque coram omnibus, quod quando in mare cecidit, statim beatus Nicolaus affuit et eum illaesum servavit. Sicque pater eius laetus effectus utrumque scyphum beato Nicolao obtulit.

Een edelman vroeg de zalige Nicolaas of hij de Heer zover wilde brengen dat die hem een zoon zou geven. Hij beloofde de jongen dan naar zijn (dat wil zeggen: Nicolaas') kerk te zullen brengen en hem een gouden beker te offeren. De zoon werd dus geboren en groeide op. En de vader liet de beker maken. Maar omdat hij die zo mooi vond, wilde hij hem zelf houden. Dus liet hij er nog zo een maken. En toen ze dan naar de kerk van de heilige Nicolaas voeren, vroeg de vader zijn zoon om in de beker die hij het eerst had laten maken, water te halen. Maar toen de jongen water wilde scheppen met de beter, viel hij in zee en verdween meteen onder water. De vader weende bitter, maar hij hield zich toch aan zijn belofte. Hij ging naar het altaar van de heilige Nicolaas en offerde de tweede beker. Maar deze viel van het altaar. Het was net alsof hij eraf was geduwd. Dus de vader raapte de beker op en zette hem opnieuw op het altaar. Maar weer werd hij eraf geduwd, en deze keer nog verder. Iedereen was stomverbaasd over een zo groot wonder. En precies op dat moment kwam de jongen behouden naar voren met de eerste beker in zijn handen. Hij vertelde ten overstaan van iedereen dat hij in zee was gevallen, maar dat de zalige Nicolaas onmiddelijk bij hem was geweest en hem had gered, zodat hij niets mankeerde. Zijn vader was hiermee zo gelukkig dat hij beide bekers aan de zalige Nicolaas offerde.

Adeodatus

Van het Adeodatus-verhaal levert Jacobus twee versies over, allebei even spectaculair. De naam Adeodatus betekent: door God gegeven. In de eerste versie treedt Nicolaas tweemaal op als schenker van kinderzegen: adeodatisallereerst regelt hij bij God de geboorte van de jongen, die door zijn ouders eigenlijk niet eens meer werd verwacht. Vervolgens zorgt hij ervoor dat de ouders hem, als ze hem op een akelige manier zijn kwijtgeraakt,weer terugkrijgen. In beide versies treedt de wonderkracht van Nicolaas in werking als de jongen aan de heilige denkt. Het Adeodatus-verhaal doet sterk denken aan dat van de roof van de Trojaanse prins Ganymedes door Zeus, die zich daartoe had veranderd in een adelaar. Deze Ganymedes was bestemd om schenker te worden bij de godenmaaltijden. Ook dit verhaal kent verschillende versies.

Quidam vir dives meritis beati Nicolai filium habuit, quem Adeodatum vocavit. Hic sancto Dei capellam in domo sua construens omni anno festum eius solemniter celebravit. Erat autem locus ille situs iuxta terram Agarenorum. Adeodatus ergo quadam vice ab Agarenis capitur et in servitutem regis eorum deputatur. Sequenti anno dum festum sancti Nicolai pater eius devote celebraret, et puer scyphum pretiosum tenens regi assisteret, recolit suum captionem et parentum dolorem et gaudium, quod in domo sua ea die fiebat, coepitque altius suspirare. Quorum suspiriorum causam dum rex minis extorsisset, ait rex: “Quidquid tuus Nicolaus agat, tu hic nobiscum manebis.” Et subito facto vento vehementi totamque domum domum concutiente puer cum scypho rapitur et ante fores ecclesiae, ubi parentes agebant sollemnia, collocantur et magnum gaudium omnibus generatur. Alibi legitur tamen, quod praedictus iuvenis fuit de Normandia, qui ultra mare pergens a Soldano capitur et ab ipso saepe verberatur: qui dum in festo sancti Nicolai verberaretur et in carcere inclusus fieret et pro sua liberatione et pro laetitia, quam tunc habere consueverant parentes eius, subito obdormivit et evigilans in capella patris sui se invenit.

Een rijk man had dankzij de hulp van de zalige Nicolaas een zoon gekregen, die hij Adeodatus noemde. Deze man bouwde voor de heilige van God een kapel in zijn huis en hij vierde diens feest ieder jaar op plechtige wijze. Nu woonde hij vlakbij de grens met het land van de Agarenen. Op een gegeven moment werd Adeodatus door de Agarenen gevangengenomen om hem als slaaf voor hun koning te laten dienen. Het jaar daarop vierde de vader vol toewijding het feest van de heilige Nicolaas. Op hetzelfde moment stond de jongen met een kostbare beker naast de koning. Maar zijn gedachten dwaalden af naar zijn gevangenneming, naar het verdriet van zijn ouders en naar de vreugde die er bij hem thuis op die dag altijd heerste. Hierdoor schoot zijn gemoed vol. De koning wist hem zozeer onder druk te zetten dat Adeodatus hem vertelde waarom hij het te kwaad had. Daarop zei de koning: "Wat die Nicolaas van jou ook doet, jij blijft hier bij mij." Plotseling stak er een hevige wind op die het hele huis op zijn grondvesten deed trillen, en de jongen werd met beker en al meegevoerd en voor de poort van de kerk, waar zijn ouders de plechtigheid aan het vieren waren, neergezet. Iedereen ontstak in grote vreugde.

Een andere versie vertelt dat de jongen uit Normandië kwam, dat hij op zee door de sultan gevangen werd genomen, en dat hij er van deze vaak met de zweep van langs kreeg. Op een keer werd hij tijdens het feest van Sint Nicolaas weer geslagen en in een cel opgesloten. Terwijl hij lag te denken aan zijn vrijlating en aan de vreugde die zijn ouders normaal gesproken op deze dag hadden gekend, viel hij ineens in slaap. En toen hij wakker werd bevond hij zich in de kapel van zijn vader.

Legenda Aurea: Gebruikte bronnen

* Dr. J.J.A. Zuidweg, De duizend en een nacht der heiligenlegenden, De Legenda aurea van Jacobus de Voragine, Amsterdam 1948

* Rainer Nickel (ed.), Jacobus de Voragine, Legenda aurea, Stuttgart 1988.

* Anneke B. Mulder-Bakker/Marijke Carasso-Kok (eds.), Gouden Legenden, Heiligenlevens en heiligenverering in de Nederlanden, Hilversum 1997