Schutspatroon der zeelui (Lieven Dehandschutter)

zeeluiDe negen stormen die ons in januari en februari 1990 teisterden, hebben erg veel schade aangericht. Op zee waren er echter weinig slachtoffers te betreuren. Zou Sint-Nicolaas als beschermer der zeevarenden daar voor iets tussen zitten? In Antwerpen (B) vereren schippers en zeelieden nog steeds de H. Nicolaas. Een litanie, in 1836 te Antwerpen gepubliceerd, aanroept hem als volgt: "H.Nicolaus, die naar het H. Land vaerende een grouwzame Tempeest aen de Schippers voorzegd, en het zelve wonderlijk gestild hebt, bid voor ons!" Ook elders werd en wordt Nicolaas door zeelui aanbeden. In Griekenland namen schippers dertig Sint-Nicolaasbroodjes aan boord. Stak er een storm op, dan werden de broodjes per drie in zee geworpen.

Het zeevaartverkeer op zeeën en rivieren heeft sterk bijgedragen tot verspreiding van de Nicolaasverering. Het gros van de Nicolaaskerken is gesitueerd in havensteden en langs rivieren. Myra had weinig contact met een moeilijk toegankelijk achterland en was dus vooral op de zee aangewezen. Zo werd de Nicolaascultus meegenomen naar de Griekse eilanden en havens. Niet toevallig waren het zeelieden die in 1087 Nicolaas' gebeente overbrachten naar de havenstad Bari. Noormannen en kruisvaarders verspreidden de Sint in West-Europa en via de Hanze bereikte hij ook de Baltische kusten. Tallinn, de hoofdstad van Estland, heeft een Nicolaaskerk met de afbeelding van de heilige als beschermer der zeelieden.

VELE LEGENDEN
In ettelijke legenden manifesteert Sint-Nicolaas zich als iemand met wie je veilig in zee kan gaan.

Nicolaas voer naar Egypte, ter voorbereiding van een bezoek aan het Heilig Land. Tijdens de eerste nacht aan boord van het schip droomde hij dat een boze macht de stagen van de grote mast doorsneed. 's Ochtends voorspelde hij de bemanning dat er een storm zou opsteken. Hij stelde hen echter gerust dat God hen zou beschermen. De storm stak inderdaad op en het schip geraakte stuurloos. Een matroos die de grote mast was opgeklommen, vond de dood toen hij viel. Ondertussen bad Nicolaas; De storm ging liggen en op de koop toe stond de dood gewaande matroos weer op, alsof hij geslapen had.

Een andere legende verhaalt de terugkeer van Nicolaas uit Palestina. Hij ging aan boord van een schip waarvan de kapitein beweerde dat het Patara zou aandoen. Het koos echter een andere bestemming. Daarop ging het stormen. Het roer brak en het schip dreigde te vergaan. Plotseling ging het echter een welbepaalde koers varen. Zo meerde het aan in Patara, Nicolaas' bestemming. Kapitein en bemanning smeekten hem om vergeving na dit dubbel wonder: zij waren heelhuids uit de storm gekomen en Nicolaas had zijn reisdoel bereikt.

Een volgend verhaal gaat over de redding van Johannes. Die werd verrast door een storm toen hij de Adriatische Zee overstak, richting Hydruntum. Hij trachtte met een reddingsboot de wal te bereiken. Het bootje kapseisde en Johannes verdween in de golven, roepend "Heilige Nicolaas, help!" Daarop verscheen Nicolaas, wierp zijn bisschopsmantel over de drenkeling en bracht hem veilig aan land.

Demetrius werd op gelijkaardige wijze gered. Hij belandde echter meteen in zijn huis in Constantinopel. Volledig overstuur bleef hij schreeuwen: Heilige Nicolaas, help!" Zijn buren kwamen aangelopen en troffen hem aan in zijn druipende kledij. Demetrios kon zich het gebeurde niet meer herinneren. Toen enige tijd later zijn medepassagiers opdaagden en de ware toedracht vertelden, is iedereen verbaasd over het mirakel.

Twee legenden combineren het beschermen van zeelieden en het lenigen van hongersnood. Nicolaas was nog bisschop van Myra toen de provincie Lycië door hongersnood werd getroffen. Op een dag passeerden in Andriake enkele graanschepen, op reis van Alexandrië naar Constantinopel. Nicolaas vroeg de kapiteins een deel van hun lading af te staan voor de hongerlijdende bevolking. Zij weigerden, vrezend dat zij in Constantinopel verantwoordelijk zouden gesteld worden voor het tekort. Nicolaas verzekerde hen echter dat hen niets zou overkomen. Daarop stonden zij honderd schepsels graan per lading af. Bij aankomst in Constantinopel bleek de lading van elk schip haar oorspronkelijk gewicht te hebben bewaard.

Een andere versie is gesitueerd vijf jaar na Nicolaas' dood, toen Lycië alweer door hongersnood werd getroffen. Nicolaas verschijnt in een droom aan een familielid en beveelt een gebedsdienst in zijn grafkerk. Een aardbeving opent zijn lijkkist, waaruit een zoete geur opstijgt, die blinden weer doet zien en lammen lopen. De volgende dag verschijnt Nicolaas in de gedaante van een aartsvader. Hij wandelt over de zee en koopt de lading van vijf graanschepen. Hij beveelt de kapiteins koers te zetten naar Myra. Zij volgen echter de raad van de duivel, die hen had aangezet door te varen naar Constantinopel. Daarop breekt een storm los, die pas gaat liggen als de kapiteins besluiten toch naar Myra te varen. Daar bezoeken zij het graf van Nicolaas en herkennen hem.

Er zijn nog ettelijke andere zeeliedenlegenden rond Nicolaas. Zelfs bij de overbrenging van zijn stoffelijk overschot van Myra naar Bari in 1087 deed zich iets merkwaardigs voor. Tijdens de overbrenging ging het zo hard stormen, dat het schip moest uitwijken naar een haven. Dat bleek Patara te zijn. Nicolaas wilde blijkbaar nog éénmaal in zijn geboortestad zijn!

© Sint-Nicolaasgenootschap Vlaanderen, overgenomen uit "De Tijdingen van het Sint-Nicolaasgenootschap" , jaargang 1, nummer 2; maart 1990

DE TRANSLATIO (Lieven Dehandschutter)


bariOp 6 december wordt Sint Nicolaas gevierd. Kinderen die zingen " Sinterklaas is jarig " hebben het verkeerd voor, want het gaat om de overlijdensdag van de Sint. Omdat de aardse dood voor heiligen meteen een hemelse wedergeboorte betekent, is er toch plaats voor vreugde. Naast zijn winterfeest heeft St.-Nicolaas ook een zomerfeest en wel op 9 mei. Die dag in 1087 voer een schip met Nicolaas'gebeente de Zuiditaliaanse havenstad Bari binnen. De overbrenging of translatio van het stoffelijk overschot wordt in Bari nog steeds met vel pracht en praal herdacht.

Ook in Vlaanderen werd het zomerfeest gevierd. In Putte was er tot in de 16de eeuw op Sint-Niclaesdagh in mejj. Buggenhout vierde Nicolaas eveneens in mei en in de Sint-Niklaaskerk te Ieper werden nog in 1948 prentjes uitgedeeld ter Gedachtenis van het Zomerfeest van St.-Niklaas. Er zijn aanwijzigingen - nog geen bewijzen - dat de kermis begin mei in St.-Niklaas uit dezelfde traditie spruit. In het werk van De Potter en Broeckaert over de geschiedenis van de stad wordt gesproken over "De, 8 May 1717, synde daeghs voor den feestdach van de kerkwydinge deser prochie... "

MOTIEVEN

De officiële reden waarom Nicolaas'resten van Myra naar Bari werden overgebracht, is dat men ze uit islamitische landen wou redden. Het Nicolaasgraf te Myra was als bedevaartsoord erg in trek aan de Antiochische kust. In 808 beval kalief Haroun-al-Rachid de vernietiging van de stad. Zijn vloot verging echter in de storm. De admiraal werd gered, " opdat hij zou getuigen van Nicolaas'macht". Enkele jaren voordien was er ook al een poging ondernomen om Nicolaas'graf te vernietigen, maar bij vergissing werd toen een andere tombe aan diggelen geslagen. Bijna drie eeuwen lang bleef het graf onaangeroerd in de strijd tussen de christelijke Byzantiërs en de muzelmaanse Saracenen. Voor Myra waren de bedevaarders naar Nicolaas'graf een belangrijke bron van inkomsten. In 1071 dienden de Turken de Byzantiërs een beslissende nederlaag toe in de lag bij Mantzikert. In 1080 viel Nicea en na de val van, Antiochice in 1084 vluchtte de bevolking van Myra naar de citadel. In Italië rijpten plannen om Nicolaas'gebeente een nieuwe rustplaats te bezorgen. Venetië dat Sint-Marcus ( San Marco) reeds uit Alexandrie had gehaald, was geïnteresseerd, maar ook Bari.

Bari had niet enkel religieuze motieven. De stad was sinds zowat 970 de zetel van de Byzantijnse stadhouder van Zuid-Italie. In 1071 werd de stad echter ingenomen door de Noormannen, die het politieke centrum van Bari naar Salerno verplaatsten. Om de economische consequenties van dit prestigeverlies te compenseren, leken de relikwieën van een heilige een wondermiddel. Relikwieën betekenden immers pelgrims en pelgrims inkomsten.

VIER VERSIES

Er bestaan vier versies over de translatio. Nicephopnus tekende de feiten kort na

9 mei 1087 op. Hij vertokt de visie van de Byzantijnse burgerij. Diametraal daartegenover stond de Griekse adel, met o.m. aartsbisschop Ursus, die Johannes de Aartsdeken opdracht gaf zijn versie weer te geven. Naast deze Latijnse teksten zijn er nog twee minder belangrijke versies, een Griekse en een Russische.

Begin 1087 verlieten drie schepen de haven van Bari. Zij voeren richting Antiochie om handel te drijven maar hun eigenlijke opdracht was het gebeente van de Heilige Nicolaas uit Myra mee te brengen. In Syrië vernamen zij dat een Venetiaanse missie met dezelfde opdracht onderweg was.

Prompt lichtten de schepen uit Bari hun ankers en volgden de kust van Klein-Azie, tot zij Myra bereikten, dat door de Saracenen bezet was. De zeelieden gingen aan wal en bereikten enkele mijlen landinwaarts de basiliek waar sedert 750 jaren bisschop Nicolaas begraven lag. Enkele monniken, die de wacht optrokken, toonden hun de plaats waar de vloeistof die uit de botten van de heilige stroomden, werd opgevangen.

Toen het de monniken duidelijk werd dat men de stoffelijke resten wou stelen, trachtten zij versterking te halen. Ze werden evenwel overmeesterd en gedwongen Nicolaas'graf precies aan te duiden. De marmeren vloer werd opgebroken. Men trof het witmarmeren graf aan met de kist, die helemaal gevuld was met de Heilige Olie die uit het gebeente vloeide. Het gebeente werd in zijden gewaden gewikkeld en naar de schepen gedragen. Tijdens de afvaart van de schepen werden zij nageroepen door een massa woedende inwoners van Myra.

Tijdens de terugreis stak een storm op.. De schepen dreven af naar Patara, de geboorteplaats van Nicolaas. Vijf zeelieden bekenden dat zij heimelijk stukjes van het gebeente hadden weggenomen. De botjes werden teruggegeven en de reis verliep verder zonder problemen.

De schepen landden in de haven van San Giorgio, op vijf mijlen van Bari. Daar werd het gebeente in een houten kist gelegd. Boden brachten het nieuws naar Bari.

Vanaf dat ogenblik ontstond er een geschil tussen aartsbisschop Ursos, die de kist naar de kathedraal wou laten overbrengen, een groep ( waaronder de zeelieden) die de bouw van een nieuwe kerk voor de Heilige Nicolaas eiste. Het meningsverschil was zo hevig dat er onlusten uitbraken, waarbij twee doden vielen. Ondertussen had men op 9 mei het gebeente in bewaring gegeven aan abt Elias van het Benedictijnerklooster. Uiteindelijk stemde de aartsbisschop in met de bouw van een nieuwe Sint-Nicolaasbasiliek

In februari 1089 overleed aartsbisschop Ursos. Elias volgde hem op en wijdde nog hetzelfde jaar in september de crypte van de basiliek in. Paus Urbanus II plaatste het gebeente van Nicolaas eigenhandig onder het altaar en riep 9 mei uit tot kerkelijke feestdag.

Bari herwon dank zij de translatio zijn aanzien. In 1096 verzamelden de legers voor de Eerste Kruistocht ( met o.m. Robrecht van Vlaanderen) in Bari om Nicolaas'hulp af te smeken. Twee jaar later organiseerde paus Urbanus II een concilie te Bari. De stad groeide uit tot een van de belangrijkste bedevaartsoorden. Ook vanuit de Nederlanden trokken ontelbaren op (boete)bedevaart naar Bari.....

© Sint-Nicolaasgenootschap Vlaanderen, overgenomen uit de “Tijdingen van het Sint-Nicolaasgenootschap Vlaanderen

HET ONTVOERDE KNAAPJE (Lieven Dehandschutter)

Dat Sint-Nicolaas de beschermheilige van de kinderen is, wordt meestal in verband gebracht met de legende van de drie knapen die uit een pekelvat weer tot leven werden gewekt Het is een " betrekkelijke jonge " legende als men weet dat ze pas in de 11de en 12de eeuw in Rijnland en Normandie ontstond, terwijl de Heilige Nicolaas in de 3de en 4de eeuw in Klein-Azie leefde.

Er zijn enkele oudere legenden waarin St. Nicolaas optreedt als de redder van kinderen. Zo b.v. deze over de baby die door zijn moeder in een kokend bad werd achtergelaten, maar het er toch heelhuids vanaf bracht. Ook is er de bekerlegende waarin een verdronken knaapje springlevend door zijn ouders wordt teruggevonden.

BASILIOS

De legende over de ontvoerde jongeling Basilios stamt uit de Griekse overlevering en dateert uit de 9de eeuw.

De legende speelt zich af in Myra, enkele jaren na Nicolaas'dood. De ganse stad bereidt zich de avond van 5 december voor op het Sint-Nicolaasfeest. Op dat ogenblik vallen Arabische piraten uit Kreta binnen. Zij plunderen de kerk en nemen ook Basilios, het zoontje van een boer, mee. Het mooie knaapje wordt ingeschakeld in de hofhouding van de emir van Kreta. De emir stelt hem zelfs aan als zijn persoonlijke wijnschenker.

In Myra weten de ouders van Basilios geen blijf met hun verdriet. Vooral de moeder heeft het moeilijk. Zij wil van de vreugde rond het Sint-Nicolaasfeest niets meer weten.

Het jaar nadien is het leed nog even erg. De vader wil met zijn vrouw deelnemen aan het Sint-Nicolaasfeest in de stad, maar zij weigert halsstarrig. Uiteindelijk kan zij ervan overtuigd worden het feest in huiselijke kring te vieren. Wanneer het echtpaar samen met enkele familieleden en vrienden aan tafel zitten en iemand over Basilios begint, hoort men op de binnenplaats de honden blaffen.

De vader gaat een kijkje nemen en kan zijn ogen niet geloven wanneer hij Basilios aantreft. De zoon draagt een Arabische tuniek en heeft een wijnbeker in de hand. Hij staart wezenloos voor zich uit zegt geen woord en slecht langzaam dringt het tot hem door dat hij weer thuis is.

Daarna kent de vreugde uiteraard geen grenzen. Basilios vertelt dat hij tijdens het wijnschenken door een onzichtbare kracht weggesleurd werd. Hij werd bang, maar gelukkig verscheen op dat ogenblik Sint Nicolaas, die hem moed insprak en weer thuis bracht.

Het nieuws over deze wonderbare redding verspreidde zich in Myra. Het stemde de bevolking vreugdevol en men richtte een dankgebed tot Sint Nicolaas.

ADEODATUS

adeodatisIn de " Vita S. Nicolai ", een Latijns werk van Johannes Diaconus uit de 9de eeuw, verloopt de legende van de ontvoerde zoon enigszins anders.

Het gaat over Cethron en Eufrosina, een kinderloos echtpaar. Cethron onderneemt een bedevaart naar Myra, waar hij Nicolaas'zegen wil afsmeken voor de geboorte van een zoon. Hij komt echter in Myra aan tijdens de begrafenis van bisschop Nicolaas. Toch was zijn reis niet vergeefs, want hij mag een relikwie meenemen.

Thuis bouwt Cethron op vraag van zijn vrouw een kerk, toegewijd aan de H.Nicolaas. En inderdaad, op 6 december wordt een zoon geboren, die de naam Adeodatus ( door God gegeven) krijgt.

Toen het knaapje 7 jaar wordt en men de voorbereidselen voor het Sint-Nicolaasfeest treft, vallen de Agareners het land binnen. Zij voeren heel wat burgers als slaven mee, ook Adeodatus. Hij wordt wijnschenker van koning Marmorinus.

Een jaar later is Adeodatus bezig de koning te bedienen. Hij kijkt echter sip, want zijn gedachten zijn bij zijn ouders, die thuis het Sint-Nicolaasfeest vieren. De koning merkt dit en vraagt uitleg. Daarop vertelt Adeodatus wat hem kwelt. De koning, die zeer tevredens over de knaap is, antwoordt dat niets of niemand hem van Adeodatus zal scheiden, ook Sint-Nicolaas niet. Dat was blijkbaar teveel gezegd, want onmiddellijk teistert een wervelwind het paleis. Adeodatus, nog met een beker wijn in de hand, wordt meegesleurd en belandt voor de Nicolaaskerk die zijn vader gebouwd had.

Nog een andere versie heeft het over de weduwe Constantia en haar 3 zonen.De jongste wordt geroofd op Sint-Nicolaas-avond. De heilige redt de knaap en neemt daarbij zelf de gestalte van een knaap aan.

In de "Legende Aurea" is de knaap een Noorman, die door een sultan op zee wordt gevangen genomen. Op 6 december smeekt hij in de kerker om verlossing. Hij slaapt in, maar wordt thuis wakker.

Door deze legende ( maar ook die van de 3 veldheren) werd Sint-Nicolaas ook de beschermer van de gevangenen. De laatste versie toont overigens treffende gelijkenissen met die over Cunon de Réchicourt.

© Sint-Nicolaasgenootschap Vlaanderen, overgenomen uit “Tijdingen van het Sint-Nicolaasgenootschap Vlaanderen”

Het Concilie van Nicea (Lieven Dehandschutter)

niceaIn het jaar 325 riep keizer Constantijn het Concilie van Nicea bijeen. De kerkvergadering moest een dreigende splitsing in de kerk ongedaan maken. De keizer drong daarop aan omdat hij de spanningen binnen de kerk gevaarlijk achtte voor de eenheid van het Romeinse Rijk. En het was juist omwille van de ruime verspreidheid van het christendom dat hij de Kerk erkend had om zo de eenheid va het keizerrijk te verstevigen.

Aan de grond van het conflict binnen de Kerk lag Arius, een priester uit Alexandrië die de goddelijke natuur van Christus aanvocht. Arius had reeds het onderspit gedolven tegen zijn bisschop in 318, maar dat belette niet dat zijn opvattingen terrein wonnen, zelfs bij bisschoppen. Volgens Arius had God de Vader Christus geschapen, zodat ze onmogelijk elkaars gelijken konden zijn. De Vader was eeuwig, terwijl de Zoon zijn oorsprong in de Vader vond. Daarentegen stond de Drievuldigheidsleer van Athanasius, die uiteindelijk door het Concilie officieel zou worden aangenomen.

HISTORISCHE TWIJFELS

De legende over Nicolaas' deelname aan het Concilie kan wetenschappelijk moeilijk onderbouwd worden. De oudste lijsten van de aanwezige bisschoppen (318 in totaal) vermelden zijn naam niet. Pas vanaf de 13de eeuw wordt hij op aanwezigheidslijsten genoemd, waarschijnlijk onder invloed van de legende zelf. Ook in andere bronnen wordt voor het eerst slechts in de 8ste eeuw verwezen naar zijn deelname aan het Concilie.

In schril contrast met het ontbreken van enig tastbaar bewijs over Nicolaas' aanwezigheid, staat het aandikken van de legende in de loop der tijden. In elke nieuwe versie werden bijkomende elementen toegevoegd. Volgens professor Charles W. Jones was het veelvuldig voorkomen van het getal drie en drieluiken in de Nicolaaslegenden de reden waarom hij ook werd "ingeschakeld" om de Drievuldigheidsleer te verdedigen. Wat hieronder volgt is de meest uitgebreide versie van de legende.

EEN KLAP VOOR ARIUS

Voor keizer Constantijn aantrad werden de christenen door Diocletianus vervolgd. Hij zette o.m. Nicolaas gevangen. Door een persoonlijke tussenkomst van Constantijn werd hij weer vrijgelaten.

Tijdens het Concilie, voorgezeten door de keizer, kreeg Arius de gelegenheid zijn stellingen uiteen te zetten. Alle bisschoppen luisterden stilzwijgend naar de betoog. Nicolaas echter kon de volgens hem ketterse taal niet langer aanhoren. Hij stond op en gaf Arius een kaakslag. Dit bracht grote opschudding teweeg in de vergadering. De aanhangers van Arius vroegen de keizer om strenge maatregelen. Wie iemand anders in aanwezigheid van de keizer het spreken belette moest gestraft worden. Zij vroegen dat de hand waarmee Nicolaas de klap had toegediend, zou worden afgehakt. Ook Arius zelf drong erop aan dat Nicolaas niet ongestraft zou blijven.

De keizer antwoordde dat de wet inderdaad verbiedt dat iemand, in aanwezigheid van de keizer, geweld gebruikt tegen iemand anders. Hij wou echter zelf geen straf uitspreken, maar liet dit over aan de vergadering.

De bisschoppen kwamen tot het besluit dat Nicolaas het bij het verkeerd eind had. Ze stelden de keizer voor hem zijn mijter en pallium (d.i. een witte wollen band met zes zwarte zijden kruisjes, die wordt gedragen als een ring om het bovenlijf met afhangende einden over de borst en de rug) te ontnemen en hem gevangen te zetten. Ook moest zijn baard worden afgeknipt, wat een bijzonder zware vernedering was.

De keizer stemde met dit voorstel in. Nicolaas werd opgesloten en na het Concilie zou de zaak ten gronde worden behandeld. In zijn kale cel werd Nicolaas aan handen en voeten geketend.

GODDELIJKE TUSSENKOMST

Tijdens de nacht verschenen Jezus en Maria in de cel van Nicolaas. Christus vroeg hem: "Nicolaas, waarom zijt ge gevangen genomen?" Hij antwoordde: "Omdat ik U liefheb." Christus en zijn Moeder verlosten hem van zijn boeien. Jezus reikte hem een Evangelieboek aan en Maria bracht hem zijn bisschoppelijke gewaden.

De volgende morgen waren de bewakers ten zeerste verbaasd toen zij een kijkje kwamen nemen in Nicolaas' cel. De bisschop zat in zijn ambtsgewaad te lezen in de Heilige Schrift. Dit werd onmiddellijk gemeld aan de keizer, die opdracht gaf Nicolaas op staande voet te bevrijden en bij hem te brengen.

Keizer Constantijn vroeg Nicolaas om vergeving. Het Concilie verwierp de leer van Arius en schaarde zich achter de opvattingen van Nicolaas.

De kerkvergadering werd beëindigd met een banket, waarop de keizer aan elke bisschop een kostbaar aandenken gaf.

Volgens een andere versie bevrijdde niet de keizer maar het volk Nicolaas uit de gevangenis. Toen het nieuws zich verspreid had dat Nicolaas zich in bisschopskledij verdiept in het Evangelie kwam het volk hem verlossen. Nog volgens deze versie droeg Nicolaas daarna een dankmis op. Tijdens de dienst daalde een engel neer, die hem zijn mijter opzette. Ook groeide zijn baard op wonderbare wijze weer aan zijn gelaat.

Het aanreiken van bisschopsstaf en mijter door engelen zouden dus kunnen verwijzen naar deze legende. Dergelijke taferelen worden o.m. uitgebeeld aan de preekstoel en het Nicolaasaltaar in de Sint-Nicolaaskerk te Sint-Niklaas (België, Vlaanderen).

Maria dook vanaf de 16de eeuw op in deze legende. Nicolaas had een bijzondere verering voor haar. Heel wat renaissanceschilders grepen dit dankbaar aan en maakten van de gezamenlijke afbeelding van Nicolaas en Maria een populair thema (zo o.m. Titiaan)

© Sint-Nicolaasgenootschap Vlaanderen, overgenomen uit de "Tijdingen van het Sint-Nicolaasgenootschap" jaargang 2 nummer1 (april 1991)

NICOLAAS, EEN MARITIEME HEILIGE (Geert Vandenhende)

weeliedenDe Heilige Nicolaas treedt in tal van legenden op als beschermer van de zeelieden. Zo vertelt één van die legenden over de weinig benijdenswaardige situatie van de bemanning tijdens een hevige storm. De matrozen vreesden dat zij een zeemansgraf zouden krijgen. De zeelui riepen de hulp in van de nog levende Nicolaas: " NIKLAAS? DIENAAR VAN God, indien het waar is, wat we over U vernomen hebben, verstrek ons dan uw hulp. " De beschermheilige verscheen met Gods toestemming en sprak: " U roept me. Hier ben ik. " En hij begon hen onmiddellijk te helpen aan de zeilen en de touwen. Weldra was de storm gestild. Toen de zeelieden aan wal kwamen, begaven ze zich naar zijn kerk. Hoewel ze hem nooit tevoren gezien hadden, hoefde niemand hem aan te tonen en ze herkende hem onmiddellijk. Zij dankten God en hem voor de redding. Hij verklaarde hen echter: " Niet ik, maar uw geloof en de barmhartigheid van God hebben u gered. "

Deze legende wordt als één van de belangrijkste voor de verspreiding van de Nicolaascultus in onze streken aanzien. Nicolaas bezat in het Byzantijnse Rijk reeds dit patronaat. Dit bewijzen de talrijke plaatsen aan de kusten van Klein-Azië en de eilanden die naar Nicolaas genoemd zijn. Zonder twijfel hangt de verspreiding samen met de drukke scheepvaart op de Middellandse Zee. In onze streken werden de uit de Griekse kerk stammende legenden en patronaten overgenomen. Het thema van de redding van zeelui en drenkelingen wordt in tal van andere legenden gecombineerd met andere thema's. Zo vinden we in de bekerlegende Sint-Nicolaas terug als beschermer op zee waar hij een verdronken gewaand kind opnieuw met zijn ouders verenigt wanneer deze hun belofte om een mooie beker te schenken niet meer te breken. Sint-Nicolaas is niet alleen beschermer op zee maar kan hier ook gebroken beloften bestraffen zoals in de legende die verhaalt over de hongersnood in Lycië: " De bevelhebbers wilden niet naar de hen zopas verschenen Nicolaas luisteren die hen bevolen had om de graanschepen naar Lycië te brengen. Een hevige storm verplichtte hen uiteindelijk om naar de aangewezen havenstad te varen. "

In de legende over de bedevaart van Nicolaas naar het Heilig Land wekt hij een matroos die tijdens een storm uit de grote mast te pletter was gevallen, opnieuw tot leven. Tevens bedaart hij de storm. Bij zijn vervroegde terugkeer toont Nicolaas opnieuw zijn krachten over de zee wanneer de kapitein van het schip hem niet onmiddellijk naar zijn streek wil terugbrengen. Ook deze bemanning dankte hem en vroegen hem om vergeving. Nicolaas verschijnt nog in tal van andere legenden aan pelgrims op zee om hen van naderend onheil te verwittigen.

In nog latere legenden treedt Nicolaas opnieuw op als beschermer van zeelieden en drenkelingen. ZO bericht Ordericus dat Willem de Veroveraar bij zijn overtocht van Normandië naar Winchelsea ( Engeland) in 1067-'68, in een storm terecht kwam. Hij riep de heilige aan en kwam zodoende zonder averij aan waar hij moest zijn.

Dan is er nog de Nicolaasabdij in Angers, gesticht door Foulques Nerra, graaf van Anjou en stamvader van de Plantagenets, die tijdens zijn tweede bedevaart naar Jeruzalem van de verdrinkingsdood werd gered door Nicolaas van Myra.

Louis Janssen haalt deze laatste legende aan, in " Nicolaas, de duivel en de doden ( 1993) om te bewijzen dat de verspreiding in Noord-Europa van de cultus rond Sint Nicolaas nog voor de Normandische verovering een feit was.

Maar dan komt volgens Karl Meisen in zijn " Nikolauskult und Nikolausbrauch im Abendlande " (1931) de belangrijkste verklaring voor de verspreiding van de heilige in onze streken: de roof van de relieken van Nicolaas van Myra naar Bari in 1087 ( de translatio). En ook hier toonde Nicolaas zich de beschermer van de zeelieden: " Bij het overbrengen van Nicolaas'gebeente naar Bari stormde het zodanig dat het schip moest uitwijken naar een haven: Patara, Nicolaas'geboortestad. "

Dat bij de verspreiding van de Nicolaascultus de zeelieden een belangrijke rol gespeeld hebben, is bijna vanzelfsprekend. De Normandiërs, die dan ook Zuid-Italië beheersten, wisten hun bewondering voor deze merkwaardige heilige over te brengen op hun neven in het Noorden. Dit gebeurde al ten dele voor de translatio, maar het zwaartepunt ligt zonder twijfel erna.

© Sint-Nicolaasgenootschap Vlaanderen, overgenomen uit de “Tijdingen van het Sint-Nicolaasgenootschap”.

DE CHRISTEN EN DE JOOD (Lieven Dehandschutter)

Eregasten op de Sinterklaasavond 1991 van het Sint-Nicolaas Genootschap waren o.m. enkele mensen uit de financiële sector. Bij het ontstaan van het bankwezen in Italië ( 12de en 13de eeuw) fungeerde Nicolaas als schutsheilige. In Firenze nam de bankiersfamilie de Medici drie gouden bollen op in haar wapen - een duidelijke verwijzing naar de geldbeugels waarmee Nicolaas de eer van drie huwbare meisjes redde. De verklaring waarom Nicolaas borg staat voor de terugbetaling van leningen steunt evenwel op een, Westeuropese legende uit de 11de eeuw, nl. " De Christen en de jood " ook gekend als " De gebroken wandelstok.

Een christen, die diep in de problemen zat, leende een som geld van een jood. Hij zwoer bij een beeld van de Heilige Nicolaas zijn schuld op een bepaalde dag te vereffenen. Toen de termijn verstreken was, vroeg de jood zijn geld terug. De christen beweerde echter bij hoog en laag dat hij geen enkele schuld meer had en dat hij dan ook niets meer hoefde terug te betalen. De schuldeiser maakte de zaak aanhangig bij het gerecht. Beide partijen werden voor verschijningvoor verschijning opgeroepen. De christen, die een doortrapt iemand was, stopte het geleende geld in een holle wandelstok en nam die mee naar de rechtszaal. Toen hij de eed moest afleggen, gaf hij de stok aan de nietsvermoedende jood. Hij zwoer dat hij alles had teruggeven en nam vervolgens zijn stok terug. De jood, die door de rechter in het ongelijk werd gesteld, verliet al vloekend op de H.Nicolaas de rechtbank. De straf voor de bedrieger bleef echter niet lang uit. Op weg naar huis werd de christen overmeesterd door een enorm gevoel van slaperigheid, zo erg zelfs dat hij midden op straat insliep. Niemand bleek bij machte hem te verplaatsen. Zo gebeurde het dat hij werd doodgereden door een aanstormend gespan. Bij dit ongeval brak ook de met goudstukken gevulde wandelstok. De inderhaast bijgeroepen jood herkende het goud als het zijne, maar weigerde het te aanvaarden als Sint-Nicolaas de christen niet weer tot leven zou wekken. Nauwelijks waren deze woorden uitgesproken of de christen stond op. De jood werd door dit wonder bekeerd en liet zich met zijn ganse gezin dopen.

De oudste tekst van deze legende is te vinden in het BATTLE Abbey-handschrift (11de eeuw). In de volkstaal treft men het verhaal aan in " La Vie de Saint-Nicolas " van Robert Wace ( 12de eeuw). Een hymne uit het begin van de 13de eeuw treft men aan in de stadsbibliotheek van Namen.

Vindt men verschillende afbeeldingen van deze legende in Frankrijk en Italië, in Vlaanderen zijn ze uniek. In een boogzwik van de Gravenkapel in de O.L.Vrouwekerk te Kortrijk ziet men hoe de christen door een gespan wordt doodgereden. Het tafereel dateert uit de late 14de eeuw.

Uit deze legende groeide het gebruik om Sint-Nicolaas als getuige in te roepen bij een eed; toen de Heilige Lodewijk van Frankrijk op zijn kruistocht ( 1248-’54)tegen de Saracenen ten strijde trok, slaakte een aanvoerder een kreet: " Par saint-Nicolas! Ils ne resteront pas ici !" Later werd het gebruik ook in de Nederlanden overgenomen. Zo leest Renaat Van der Linden stelt in de " Iconografie van Sint-Niklaas in Vlaanderen " (1972) dat het motief van de legende ( het verstoppen van een geleende som in een holle stok) zeer oud is. Het komt reeds voor in een Griekse tekst uit het begin van onze tijdrekening en later ook in een Duits sprookje en in de literatuur van de Westkust van India en de Islam.

© Sint-Nicolaasgenootschap Vlaanderen, overgenomen uit de “Tijdingen van het Sint-Nicolaasgenootschap Vlaanderen

HET KIND EN DE DUIVEL (Lieven Dehandschutter)

De legende over het kind dat door de duivel werd vermoord en door Nicolaas terug tot leven werd gewekt, komt de eerste keer voor in " La Vie de Saint Nicolas " ( ong. 1140'1150) van de Normandische dichter Robert Wace.

Verontrust door een kwade droom van zijn vrouw, bezoekt een vrome man uit Lombardije samen met zijn echtgenote de kerk op Sint-Nicolaasdag. Zij laten hun zoontje alleen thuis achter. De duivel, vermomd als pelgrim, dringt de woning binnen en doodt de knaap.

Bij haar terugkeer ziet de moeder hierin de vervulling van haar droom. Ondanks het trieste voorval willen de ouders toch thuis het feest van de H.Nicolaas vieren, zoals zij dat ieder jaar doen. Zij verwachten vele geestelijken die komen meevieren. Opdat zij niets zouden merken van het dode kind, wordt het lijk verstopt in een aparte kamer.

Wie zich ook voor het feest meldt, is de als pelgrim verklede Sint-Nicolaas. Hij wil echter eten in de kamer waar het kinderlijkje verborgen werd. Wanneer hij de dode jongen vindt, wekt Sint-Nicolaas hem terug tot leven en verdwijnt. Tot grote vreugde van de ouders zien zij hun zoon terug, die hen vertelt wat er met hem was gebeurd.

Jacobus de Voragine, bisschop van Genua, tekende in de 13de eeuw in zijn " Legenda Aurea " ( Gulden Legende) een ietwat eenvoudiger versie van de legende op.

Een man vierde elk jaar op plechtige wijze het feest van de H.Nicolaas, uit liefde voor zijn zoon die een flinke student was. Eens organiseerde hij een feestmaal voor zijn zoon en had hiervoor vele priesters uitgenodigd.

De duivel, die de gedaante van een pelgrim had aangenomen, kwam aan de deur en smeekte om een aalmoes. De vader gaf zijn zoon opdracht aan de bedelaar een aalmoes te geven. Toen de knaap het geld had en het aan de pelgrim wou geven, was die verdwenen. De jongen wou hem achterna lopen. Hij rende de straat op en vond hem aan een kruispunt. De duivel greep de knaap vast en wurgde hem.

Toen de vader dit vernam, was hij diep bedroefd. Hij nam het lijk, droeg het naar de slaapkamer en riep uit: " Liefste zoon, wat is er met jou gebeurd? Heilige Nicolaas, is dit het loon voor de grote eer die ik U reeds zolang betoon? " De gegriefde vader bleef zijn jammerklacht herhalen. Plotseling echter opende de knaap zijn ogen, alsof hij uit een slaap ontwaakte. Hij stond op en was weer gezond.

Deze laatste versie treft men ook aan in het " Passionael", d.i. de Nederlandse vertaling van de Legenda Aurea door Vranke Callaert uit het Gentse (1357).

In zijn werk " Nikolauskult und Nikolausbrauch im Abendlande " (1931) stelt Karl Meisen dat de versie in de Legenda Aurea niet noodzakelijk is afgeleid van de tekst van Wace:

Beide versies kunnen een bewerking zijn van eenzelfde oudere tekst, die mogelijks in Lombardije- door Wace vermeld als plaats van de handeling- ontstaan is. Naar dit voorbeeld heeft Wace wellicht zijn vertelling door toevoeging van elementen opgebouwd.

Charles W. Jones commentarieert in zijn studie " Saint-Nicholas of Myra, Bari and Manhattan " ( 1978) de versie van Wace als volgt:

Het is een kunstwerk van een uiterst bekwaam retoricus, die een korte epiek schept van de Val der Engelen en de Redding van de Mens. Maar die versie wordt snel verwaterd tot een gevulgariseerde versie die niets meer is dan een wansmakelijk mengsel van de legenden van de drie scholieren, de zoon van Getron en de vernieling van de Artemistempel.

In Lombardije, centrum van goudsmeden en bankiers, bekleedde Sint-Nicolaas een prominente rol als patroon van handelaars en bankiers. Dit vormde een gunstige voedingsbodem voor het ontstaan van nieuwe legenden. Nicolaas'persoonlijkheid was geschikt of werd aangepast om te voldoen aan een aantal modes uit die tijd, aldus Jones. Als modes somt hij op: een nieuwe sentimentaliteit rond jongeren, een cultus onder een snelgroeiende klasse roepingen, een nieuwe belangstelling voor hekserij en demonen en en een neobarbarisme in de verhaalskunst. De nieuwe welvaart en vrije tijd schiepen mogelijkheden voor het kopiëren en verspreiden van populaire lectuur.

Jones zoekt ook een verklaring voor het veelvuldig voorkomen van moord en doodslag in de Nicolaaslegenden. Hij meent die te vinden in het feit dat de maand november, die het Sint-Nicolaasfeest voorafgaat, vroeger ook bloedmaand werd genoemd. Na de graanoogst volgde immers de slachttijd. Op Engelse kalenders werd, naast het kerstgebeuren, een man een varken slacht en het teken van de geit uit de dierenriem, Sint-Nicolaas gebruikt bij het voorstellen van de winter.

In Vlaanderen en Nederland bestaan er geen religieuze kunstwerken van de legende van het kind en de duivel. Ook elders in Europa is het zoeken met een vergrootglas. Karl Meisen vond er slechts één: een schilderij van Ambrogio Lorenzetti ( overleden omstreeks 1348), dat momenteel in Firenze hangt.

© Sint-Nicolaasgenootschap Vlaanderen, overgenomen uit de “Tijdingen van het Sint-Nicolaasgenootschap”.

Nicolaas' dood

doodIn deze paragraaf wordt een beschrijving gegeven van Nicolaas' laatste handelingen en van zijn dood. Zijn heiligheid wordt bevestigd door de stroom olie en water, die uit zijn gebeente tevoorschijn bleef komen. Een korte blik op de overbrenging van het gebeente van Myra naar Bari completeert het geheel.

Cum autem Dominus vellet eum assumere, rogavit Dominum, ut angelos suos sibi mitteret, et inclinato capite angelos ad se venire vidit et dicto psalmo: “In te Domine speravi usque, in manus tuas etc.” tradidit spiritum anno Domini CCC.XL.III, ubi caelestium melodia audita est. Qui dum sepultus fuisset in tumba marmorea, a capite fons olei et a pedibus fons aquae profluxit et usque hodie ex eius membris sacrum resudat oleum valens in salutem multorum. Successit autem ei quidam vir bonus, qui tamen de sede sua ab invidis est depulsus. Quo eiecto oleum fluere desiit, sed eo revocato protinus emanavit. Post multum vero temporis Turci Miream urbem destruxerunt, XLVII vero milites Barenses illuc profecti quatuor monachis sibi astantibus tumbam sancti Nicolai apparuerunt ossaque eius in oleo natantia in urbem Baream detulerunt, anno Domini millesimo octagesimo septimo.

Toen de Heer Nicolaas tot zich wilde nemen, vroeg hij Hem of die hem zijn engelen wilde sturen. En toen hij die zag aankomen, boog hij zijn hoofd en begon hij een psalm op te zeggen: "Op U, Heer, heb ik mijn hoop gesteld (Psalm 30 (31),2)," tot: "In uw handen (beveel ik mijn geest) (Psalm 30 (31),6)," enzovoorts. Daarop blies hij zijn laatste adem uit. Dat gebeurde in het jaar des Heren 343, en er was gezang uit de hemel bij te horen. Hij werd begraven in een marmeren graftombe, en er begon olie te stromen bij zijn hoofd, en water bij zijn voeten. Tot op de dag van vandaag komt die heilige olie uit zijn ledematen te voorschijn en velen ervaren de geneeskrachtige werking ervan aan den lijve.

Nicolaas' opvolger was een voortreffelijk man, maar werd desalniettemin door jaloerse rivalen van zijn zetel verdreven. Toen dat gebeurde, hield de olie op met stromen, maar toen de bisschop was teruggeroepen, begon de olie weer gewoon te stromen.

Lange tijd later verwoestten de Turken de stad Myra. Daar kwamen toen zevenenveertig Barese soldaten heen. Die openden onder het toeziend oog van vier monniken de tombe van de heilige Nicolaas en brachten zijn gebeente, dat zwom in de olie, over naar de stad Bari. Dat gebeurde in het jaar des Heren 1087.

De Drie huwbare dochters (Veerle Verbeke)

maagdenDe Heilige Nicolaas die drie kinderen uit de handen van een bloeddorstige herbergier redt. Een sterk tot de verbeelding sprekend verhaal, dat overal in onze contreien verspreid is. Dat dit echter maar één van de vele legenden is die aan Sint-Nicolaas wordt toegeschreven, is echter minder geweten…

Vele Nicolaaslegenden bestaan in verschillende versies, elk met hun eigen klemtoon. De meeste zijn pas aan het licht gekomen vele jaren na Nicolaas' dood, omstreeks 342. De oudste geschreven bronnen zijn twee eeuwen jonger. De vraag of ze al dan niet een historische kern bevatten, is minder belangrijk. De legenden schilderen ons het portret van een heilige zoals hij leefde in de vrome volksoverlevering van steeds nieuwe generaties. In heel wat Nicolaasverhalen speelt het getal drie een belangrijke rol: de drie kinderen of studenten, de drie generaals, de drie huwbare meisjes, de drie gouden ballen.

Misschien hebt U boven een financiële instelling wel eens drie gouden bollen zien hangen en U afgevraagd waar dit symbool vandaan kwam. De Heilige Nicolaas werd vroeger ook als patroonheilige beschouwd van o.a. banken en pandjeshuizen. De drie gouden ballen verwijzen naar de drie zakken gevuld met gouden munten, waarmee de jonge Nicolaas de vrijheid verzekerde van drie meisjes in zijn geboorteplaats. Zij zijn het symbool van het terugontvangen (vrijkopen) van iets waardevols.

EDELMOEDIGE ONBEKENDE

De legende van de drie huwbare dochters duikt voor het eerst op in de "Vita per Michaelem", die gesitueerd moeten worden in de zevende of achtste eeuw.

Nicolaas wordt beschreven als de zoon van welstellende, zeer gelovige ouders. Hij werd geboren in Patara (in Zuid-West Turkije, dat toen Grieks was). In zijn geboorteplaats woonde een verarmde edelman. Ooit had hij zeer welstellend en welvarend geleefd, maar toen zijn drie dochters de leeftijd hadden om te trouwen, was de edelman niet meer in staat de gebruikelijke bruidschat bijeen te krijgen. Omdat ze arm waren, wilde geen enkele jongeling met een van de meisjes huwen. Zelfs jonge mannen van lagere afkomst waren niet geïnteresseerd. Ten einde raad en om toch in het levensonderhoud van hem en zijn dochters te kunnen voorzien, besloot de aan lager wal geraakte edelman, de meisjes in de prostitutie te storten.

Dit kwam de jonge Nicolaas ter ore en hij vatte het plan op de meisjes van dit nakend onheil te redden. Toen de oudste dochter de huwbare leeftijd bereikt had, knoopte Nicolaas driehonderd gouden Florijnen in een doek en gooide die 's nachts door het vensterraam binnen. Hij zorgde ervoor dat hij niet herkend werd. Toen de edelman de volgende ochtend het geld aantrof, was hij diep ontroerd en dankte God voor de onverhoopte redding. De dochter kon in het huwelijk treden en een eerbaar leven leiden.

Zodra de tweede dochter oud genoeg was, dreigde de edelman opnieuw in moeilijkheden te komen. Maar ook deze keer kwam de redding door het raam. De vader was zeer gelukkig en vroeg zich af wie de geheimzinnige weldoener wel kon zijn. Hij besloot elke nacht aandachtig te waken omdat hij vermoedde dat er ook voor de derde dochter een bruidschat zou volgen.

En inderdaad, Nicolaas daagde een derde keer op met een beurs vol goudstukken. Hij gooide de bruidschat door het raam, waarna de edelman onmiddellijk zijn huis uitliep en Nicolaas bijhaalde. Hij herkende hem en barstte in tranen uit van dankbaarheid. Hij zei:" Als niet onze gemeenschappelijke Heer Christus deze goedheid in U had opgewekt, zouden wij reeds lang ons leven door zedenloze en verderfelijke handel ten gronde hebben gericht. En nu echter heeft de Heer ons door U gered en ons uit het moeras van de ontucht bevrijd. Daardoor staan wij bij U in de schuld en willen wij U alle dagen van ons leven danken. Want gij hebt ons uw helpende hand gereikt en ons uit onze armzaligheid van de aarde doen opstaan."

Nicolaas' plan om onbekend te blijven was dus mislukt; Zijn zorgvuldig bewaard geheim was geen geheim meer. Hij bezwoer de edelman het voorval niet verder te vertellen zolang hij leefde.

De vader hield woord en maakte de reddende daad van Sint-Nicolaas pas na diens dood bekend. Het optreden van de heilige maakte diepe indruk en geraakte snel wijd verspreid.

PATROON DER TROUWLUSTIGE MEISJES

Op grond van deze legende ontpopte Sint-Nicolaas zich tot de patroon van de trouwlustige en jonge meisjes.

De heilige Nicolaas werd in de Nederlanden tot begin twintigste eeuw aangeroepen door meisjes die geen vrijer vonden. Er waren zelfs Sinterklaasliedjes in die zin. Bv. Volgende tekst, die in 1730 in Amsterdam opgetekend werd:

Sinterklaas waarde Vriendt
Geef mij toch wat mij dient
Mijn blommetje staat nu in zijn fleur
Achttien jaartjes ben ik deur,
Het valt mij te lang,
Het valt mij te bang,
Wilt mij verhooren,
Of ik moet smooren,
Al mijn leven lang.
Bedroefder en leefter geen
Als ik die slaapt alleen

Er zijn ook teksten waaruit blijkt dat de Sint 's nachts soms aan jonge meisjes verscheen. In sommige kerken bestond het gebruik om op 6 december een arm meisje uit te huwelijken en haar van een bruidschat te voorzien.

De legende van de drie meisjes hangt in ieder geval het beeld op van een reddende en edelmoedige jonge Nicolaas, twee eigenschappen die zijn verdere leven zullen kenmerken. Het geschenk aan de meisjes wordt dan ook dikwijls beschouwd als symbool van de levenshouding van Sint-Nicolaas als priester en bisschop. Het is één van de mogelijke verklaringen voor het ontstaan van de traditie van het geven van cadeautjes: Sint-Nicolaas als vrijgevige schenker.

© Sint-Nicolaasgenootschap Vlaanderen, overgenomen uit "De Tijdingen van het Sint-Nicolaasgenootschap", jaargang 1, nummer 1, (november 1989)

DE BURTSCHEID - ICOON (Lieven Dehandschutter)

Sint-Nicolaas speelde een bijzondere rol in de menselijke vruchtbaarheid en bij de bescherming van kinderen.

burtscheidIn de legende van " De drie maagden " zorgde hij ervoor dat het trio niet in de prostitutie belandde, maar eerbaar kon trouwen. Talrijk waren de gebruiken waarin Nicolaas ter hulp werd geroepen door hopeloze meisjes, op zoek naar een vrijer of man. Gehuwde vrouwen die niet zwanger werden, deden eveneens een beroep op hem en dat Nicolaas de kindervriend bij uitstek is, blijkt uit ettelijke legenden en gebruiken.

Er werd bij elke schakel van de voortplanting gerekend op Nicolaas, zelfs bij het cruciale ogenblik van de bevalling. De oudste aanwijzing vindt men in een Duitse legende, opgetekend in de vroege dertiende eeuw.

De cisterciënzermonnik Caesarius van Heisterbach ( ong. 1180-1240) verhaalt de legende in zijn " Dialogus miraculorum " ( dialoog over mirakels) als volgt:

Novice : Omdat Sint-Nicolaas in kerken zowel in sculpturen als in afbeeldingen meer dan een andere heilige vertegenwoordigd is, zou ik graag vernemen of het mogelijk is een waarheidsgetrouw portret van zijn gezicht te zien, opdat zijn herinnering meer duurzaam in mijn geest zou zijn ingeprent.

Monnik : Ik zal u een bepaalde afbeelding van wonderbaarlijk vakmanschap tonen die, zo wordt gezegd, gemaakt is door iemand die Sint-Nicolaas in levende lijve gezien heeft en ze naar zijn gelijkenis vervaardigd heeft.

In het klooster van Burtscheid - dat is nabij Aken- is er een afbeelding van ongeveer anderhalve voet lang, die de gezegende bisschop Nicolaas voorstelt vanaf zijn middel. Ze werd daarheen gebracht door de gezegende Gregorius, de zoon van de koning van Griekenland en de stichter en eerste abt van dat klooster. Er wordt gezegd dat het dezelfde afbeelding is die een barbaar- zoals we lezen in de Mirakels van Sint-Nicolaas -meevoerde en de wacht liet optrekken bij zijn buit. Dank zij het beeld werd hij tot het geloof bekeerd, nadat hij zijn goederen verloren had en ze terugkreeg na de beeltenis te hebben geslagen. Door het beeld werden vele wonderen verricht, in het bijzonder bij zwangere vrouwen. Eens werd het naar het huis gebracht van een adellijke gehuwde vrouw die moest bevallen. Het beeld werd tegenover haar aan de muur gehangen. Op het ogenblik dat zij ging bevallen, draaide het beeld zijn gezicht naar de muur, als wou het vermijden de vrouw in barensnood te zien. He gelaat van het beeld is lang en mager, zeer ernstig en eerbiedwaardig. Het voorhoofd is stoutmoedig, het hoofdhaar en de baard zijn nogal wit. Onlangs, toen de monniken zich terugtrokken, kwamen de nonnen van onze orde in het bezit van het schrijn en het beeld.

Het mirakel met de bekering van de barbaar, waarvan sprake in deze legende, is dat van " De wonderbare Nicolaasicoon ".

KEIZERIN THEOPHANO

Het klooster van Burtscheid, dat voor het jaar 1000 door keizer Otto III ( 980-1002) gebouwd werd, was ontzettend belangrijk voor de verspreiding van de Nicolaascultus in Duitsland en de Lage Landen. Otto III stichtte in Aken, de toenmalige Duitse hoofdstad, ook een collegiaal klooster met een Nicolaaskapel.

Keizer Otto III was de zoon van Otto II, die in 972 huwde met de Byzantijnse prinses Theophano. Naar alle waarschijnlijkheid was zij een nicht van de Byzantijnse keizer. Theophano koesterde een bijzondere verering voor Nicolaas. Vanaf 983, toen haar gemaal overleed, tot haar eigen dood in 991, regeerde zij als voogdes van haar piepjonge zoon het Duitse Rijk.

" Haar machtigste hovelingen waren toegewijd aan Nicolaas ", schrijft Charles W. Jones in zijn boek " Saint Nicholas of Myra, Bari and Manhattan ( 1978). Bisschop Hildward van Halberstadt richtte een Nicolasaltaar op in de crypte van zijn kathedraal en bouwde een Nicolaaskerk. Aartsbisschop Willigis van Mainz wijdde een kerk toe aan Nicolaas in Weende bij Göttingen. Bisschop Bernward van Hildesheim maakte van zijn stad een artistiek centrum, waar Otloh ( ong. 1010-1070) later twee vita's over Nicolaas zou schrijven.

Prins-Bisschop Nootger van Luik droeg eveneens bij tot de verbreiding van de cultus. Zijn invloed strekte tot in Lotharingen.

In zijn studie " Nicolauskult und Nikolausbrauch im Abendlande '1931 " vermeldt Karl Meisen dat dertien kerken in Duitsland naar Nicolaas werden genoemd ten tijde van Theophano.

Keizerin Theophano lag ook aan de grondslag van de Sint-Nicolaaskapel op het Valkhof, het keizerlijk buitenverblijf te Nijmegen. Theophano schonk in 980 op het Valkhof het leven aan Otto III en zijn tweelingzus en overleed er elf jaar later.

Abt Gregorius van het klooster van Burtscheid was afkomstig uit Byzantijns Italië. Na de vernieling van het klooster aldaar, werd hij door Otto III als abt van Burtscheid aangesteld. Gregorius liet aan de Sint-Pieterskerk van Burtscheid twee kapellen bouwen, de ene toegewijd aan Sint-Apollinaris ( de eerste bisschop van Ravenna), de andere aan Sint-Nicolaas.

Voor deze laatste kapel verwierf hij een Nicolaasicoon, afkomstig uit Constantinopel. De icoon wordt thans bewaard in de Sint-Jan-de-Doperkerk te Burtscheid, dat nu een deel is geworden van Aken.

© Sint-Nicolaasgenootschap Vlaanderen, overgenomen uit “Tijdingen van het Sint-Nicolaasgenootschap”.

HET KIND IN HET KOKEND BADWATER (Lieven Dehandschutter)

In zijn werk " La vie de Saint Nicolas ( ong. 1140-1150) brengt de Anglo-Normandische dichter Robert Wace het patronaat van Sint-Nicolaas over de kinderen in verband met zes legenden:

1. Het kind in het kokend bad; 2. Het bezeten kind; 3. De drie scholieren; 4. De bekerlegende; 5. De ontvoerde knaap; 6. De duivel en het kind. Wace is de eerste die de badkuiplegende citeert.

In de Nederlandstalige Nicolaasliteratuur wordt nauwelijks aandacht besteed aan de badkuiplegende. Filip De Pillecyn brengt de legende in een sappige Vlaamse stijl in " Het boek van Sint-Niklaas" dat hij in de jaren '30 publiceerde:

VAN HET KIND IN DE WASCHKUIP

Niet alleen scholieren, jonge meisjes en aanwassende jongelingen is Sint-Niklaas de beschermer, maar ook van kleine kinderen die nog geen besef hebben van zijn bestaan.

Zoo was er eens een moeder bezig haar kind te wasschen met zacht warm waterken en fijn zeepschuim. En omdat het water niet te rap zou afkoelen had zij 't badkuipken op het vuur gezet. Zij waschte en plaste dus en 't kindeken begon te blinken dat het een plezier was, toen de moeder zwaar klokgelui hoorde.

Toen dacht ze eraan dat het juist vandaag de plechtige inhuldiging was van den nieuwen bisschop, Niklaas heette hij. En ze had daar toch reeds zooveel over hooren spreken over dien nieuwen bisschop, dat hij zoo vriendelijk was en zoo goed voor de armen en daar zij ook nieuwsgierig was en zij nog niet de inhuldiging van een bisschop had gezien liet zij liggen wat lag en staan wat stond en liep naar de kerk.

't Was schoon en aandoenlijk. En de tranen kwamen in de oogen van de vrouw die maar bleef staan kijken tot al het volk terug naar huis liep.

Toen zij op weg was naar huis schoot haar ineens te binnen dat haar kind in zijn badkuipken zat en dat dit heel de tijd op het vuur had gestaan. God! wat zette die vrouw het op een loopen; en zij smeet de deur open en neep dan haar ogen toe omdat ze bang was van wat ze zouden moeten zien hebben.

Maar het water was niet aan 't koken gegaan en 't kindeken was niet verbrand. Het zat daar te spelen en te plassen in 't lauw waterken en was zoo frisch als een bie

Dat had Sint-Niklaas gedaan.

De Pillecyn geeft de essentie van Wace's verhaal vrij nauwgezet weer. Er zijn ook een aantal varianten ontstaan. Zo b.v. zou de moeder de waardin geweest zijn bij wie Nicolaas in Myra logeerde. Sommige versies eindigen met het ter kerke gaan van de moeder, die het volk haar geredde kind toont en Nicolaas dankt. In een variant daarop sterft het kind in het bad, waarna de moeder het lijkje naar de kerk brengt, waas het door Nicolaas weer tot leven wordt gewekt. Nog een andere versie stelt dat het kind toevallig in het water belandde. Tot slot zijn er ook verhalen waarin het kind niet in het water maar in het vuur valt.

In de badkuiplegende fungeert Nicolaas niet enkel als redder van een, kind, maar ook als beschermer tegen het vuur. Op grond hiervan werd hij in Parijs patroonheilige van de brandweerlieden.

In haar boek " Saint-Nicolas - fêtes et traditions populaires d'hier en d'aujourd'hui ( 1978 ) " signaleert Colette Mechin een lied dat gezongen werd in La Haye, nabij Harsault ( Vogezen ), en in de streek van Sanry-sur-Nied ( Moselle) :

Ref. Jésus, aidez-moi
Douce Vierge Marie,
Saint Nicolas !
Dans la ville d'Orleans
Une nourrice, il y a ,
La nourrice, elle s'endort
Et son enfant brûla.
La nourrice, elle s'endort
Et son enfant brûla
Un soir, après souper
La nourrice, elle s'en va
Un soir... s'n va
Sur son chemin rencontre
Le bienheureux saint Nicolas.
Sur son chemin... Nicolas Où t'n vas-tu nourrice,
Où t'n vas-tu si tard ?
Où t'n vas-tu ... si tard ?
Je vais à la rivière
Laver ces menus draps
Je vais ... menus draps
Retourne-toi, nourrice
Car noyer tu t'n vas !
Retourne -toi... tu t'n vas
Tu l'as laissé en cendres
En chair tu le retrouveras
Tu l'as laissé ... le retrouveras
Tout en ouvrant sa porte
L'enfant lui souria.

In Frankrijk vindt men enkele voorstellingen van de badkuiplegende; NL. op glasramen in de kathedralen van Chartres en Auxerre en in de kerk van Saint-Julien - du - Sault, evenals op een gepolychromeerde altaar uit de 14de eeuw te Mesuil-sur-Oger ( Marne). In Vlaanderen is slechts één afbeelding bekend: een gewelfsleutel, vervaardigd door Arnold Dreyers in 1444, in de Sint-Sulpitiusikerk te Diest.

© Sint-Nicolaasgenootschap Vlaanderen, overgenomen uit de “Tijdingen van het Sint-Nicolaasgenootschap”.

De drie veldheren


veldherenIn het verhaal over de drie veldheren laat Nicolaas zien dat hij over bijzondere gaven beschikt. Hij gedraagt zich niet alleen bijzonder moedig en assertief tegenover hoogwaardigheidsbekleders, wat in die tijd beslist geen normale gang van zaken was (hij durft tegen de corrupte burgemeester op en houdt de beul tegen) , maar hij verschijnt hun ook in dromen (keizer Constantijn en zijn corrupte vertrouwensman). Door een scherpzinnige combinatie van gebeurtenissen, tijdstippen en droomonderwerpen ontstaat er een quasi realistisch-pragmatisch wonderverhaal waarin de hoogwaardigheidsbekleders op hun nummer worden gezet en uitgeschakeld, en waarbij de underdogs (eerst drie onschuldige soldaten, later de drie onschuldige veldheren) worden beschermd tegen al dan niet gekochte willekeur. Keizer Constantijn komt er goed vanaf als een welwillend man, die hooguit slecht was geïnformeerd. Misschien dat Jacobus daarom - overigens in navolging van zijn bronnen - zo sterk leunt op het getal drie van de Drie-eenheid. Het hof van Constantijn was christelijk, maar volgde niet de orthodoxe, maar de ariaanse lijn, die moeite had met het Zoonschap van God.

Hoe dan ook, het is een indrukwekkend verhaal dat Nicolaas heeft verheven tot een belangrijk helper in de nood. Aardig is dat Jacobus in dit verhaal afrekent met elke gedachte die zweemt naar magie en sterke nadruk legt op de lijn God-heilige-mens: de heilige als intercessor, als tussenpersoon tussen God en de mensen.

Per idem tempus cum quaedam gens Romano imperio rebellasset, contra eam imperator tres principes Nepotianum, Ursum et Apilionem misit, quos portui Adriatico ob ventum contrarium applicatos beatus Nicolaus ut secum comederent, invitavit, volens ut gentem suam a rapinis compescerent, quas in nundinis exercebant. Interim dum Sanctus abesset, consul corruptus pecunia tres innocentes milites iussit decollari. Quod ut vir sanctus audivit, rogavit principes illos, ut secum illuc usque gradu concito properarent, veniensque ad locum, ubi decollandi erant, invenit eos poplite flexo et facie iam velata et spiculatorem ensem super eorum capita iam vibrasse. At Nicolaus zelo accensus et in lictorem se audacter ingessit et gladium de eius manu eminus propulit innocentesque solvens eos incolumes secum duxit. Illico ad praetorium consulis properat et fores clausas vi reserat. Mox illi consul accurens salutavit eum. Aspernens hoc Sanctus dixit: inimice Dei, legis praevaricator, qua temeritate praesumsisti tanti conscius sceleris vultum aspicere nostrum? Quem postquam plurimum obiurgasset, ad preces tamen illorum ducum eum poenitentem benigne recipit. Recepta igitur benedictione imperiales nuntii iter peragunt et impios sine sanguine hostes subdunt redientesque ab imperatore magnifice sunt recepti. Quidam autem eorum felicitatibus invidentes, praefecto imperatoris prece et pretio suggesserunt, ut eos apud imperatorem de laesae maiestatis crimine accusaret. Quod cum imperatori suggessisset, ille nimis furore repletus eos incarcerari praecepit ac sine aliqua interrogatione illa eos nocte occidi mandavit. Quod cum a custode didicissent, sciderunt vestimenta sua et gemere amare coeperunt. Tunc unus eorum, scilicet Nepotianus, recolens quod beatus Nicolaus tres innocentes liberaverat, exhortatus est alios, ut eius patrocinia flagitarent. Quibus orationibus sanctus Nicolaus nocte illa Constantino imperatori apparuit dicens: cur illos principes tam iniuste comprehendisti et morti sine crimine addixisti? Surge velox eosque quantocius dimitti iubeto. Si non autem, oro Deum, ut tibi suscitet bellum, in quo tu corruas et bestiis cibus fias. Cui imperator: quis es tu, qui hac nocte palatium meum ingressus talia audes loqui? Cui ille: ego sum Nicolaus Mireae civitatis episcopus. Sic et praefectum similiter terruit per visum dicens: mente et sensu perdite, cur in necem innocentium consensisti? Perge cito et eos liberare stude. Si non autem, corpus tuum vermibus scaturiet et domus tua citius destruetur. Cui ille: quis es tu, qui nobis tanta minaris? Scito, inquit, me esse Nicolaum Mireae civitatis episcopum. Utrisque evigilantibus statim mutuo sua somnia pandunt et pro illis incarceratis continuo mittunt. Quibus autem imperator: quas magicas artes nostis, ut tantis nos illudatis somniis? Cui responderunt, se magos non esse nec mortis sententiam meruisse. Tunc imperator: nostis, inquit, hominem, cui nomen est Nicolaus? At illi audito hoc nomine manus extenderunt ad coelum, rogantes Deum, ut eos sancti Nicolai meritis a praesenti periculo liberaret. Et cum imperator totam vitam eius et mirabilia ab iis didicisset, dixit iis: ite et Deo gratias agite, qui vos eius precibus liberavit. Sed et de nostris eidem afferte gaudiolis rogantes eum, ut ulterius mihi minas non inferat, sed pro me et regno meo ad dominum preces fundat. Post paucos dies praedicti viri ad Dei famulum se prosternunt dicentes: vere famulus Dei es, vere cultor et amator Christi. Cumque sibi omnia per ordinem retulissent, ille elevatis in coelum manibus immensas Deo laudes retulit ac bene instructos principes ad propria remisit.

In die tijd was er een volk in opstand gekomen tegen de Romeinse overheersing. Daarom stuurde de keizer er drie veldheren op af: Nepotianus, Ursus en Apilio. Toen die door een ongunstige wind in de haven van Andriake tercht waren gekomen, nodigde de zalige Nicolaas hen uit om bij hem te komen eten. Hij wilde namelijk voorkomen dat de veldheren hun mannen toestemming zouden geven de markt te plunderen, want zoiets was wel vaker voorgekomen.

Terwijl de heilige door zijn gasten in beslag werd genomen, gaf de burgemeester, een corrupt bestuurder, het bevel tot de onthoofding van drie onschuldige soldaten. Toen dat de heilige man ter ore kwam, verzocht hij de veldheren om zo snel mogelijk met hem mee te komen naar de plek waar die soldaten zouden worden onthoofd. Aangekomen troffen ze de soldaten geknield en geblinddoekt aan, terwijl het zwaard van de beul al boven hun hoofd trilde. Toen Nicolaas dat zag, ontstak hij in woede, stormde onverschrokken op de beul af en rukte hem het zwaard nog net op tijd uit de hand. Daarna maakte hij meteen de touwen van de onschuldige soldaten los en hij nam hen ongedeerd met zich mee. Zonder ook maar een ogenblik te aarzelen toog hij naar het stadhuis, brak de deur met geweld open en stormde naar binnen. De burgemeester snelde hem al tegemoet om hem te verwelkomen. Maar daar had de heilige Nicolaas geen oog voor en hij zei: "Jij, vijand van God, schaamteloze rechtsverkrachter die je bent, hoe durf je mij na zo'n schandelijke daad nog onder ogen te komen?" Nadat hij hem op die manier een hele tijd lang de les had staan lezen, schonk hij hem op het dringende verzoek van de drie veldheren toch nog vergeving. Hij had immers berouw getoond.

Nadat de veldheren van de keizer Nicolaas' zegen hadden gekregen, vervolgden ze hun weg. Zonder bloedvergieten wisten ze hun trouweloze vijand te onderwerpen en bij hun thuiskomst werden ze door de keizer vorstelijk onthaald. Maar ... dat konden een paar mensen niet goed hebben. Ze zochten een vertrouwensman van de keizer om hen voor geld van majesteitsschennis te beschuldigen. En toen die vertrouwensman dat had gedaan, barstte de keizer in woede uit en liet de veldheren in de gevangenis gooien. Zonder enige vorm van proces moesten zij diezelfde nacht nog ter dood worden gebracht.

Toen de drie veldheren dit van de gevangenbewaarder hadden vernomen, scheurden zij hun kleren aan stukken en begonnen bitter te klagen. Op dat moment schoot het één van hen, Nepotianus, te binnen dat de zalige Nicolaas ooit drie onschuldigen had bevrijd. Daarom spoorde hij zijn twee collega's aan om Nicolaas om bescherming te vragen. De heilige Nicolaas verhoorde hun gebed. Die nacht verscheen hij in een droom van keizer Constantijn en zei tegen hem: "Waarom hebt u de drie legerleiders wederrechtelijk gevangen laten nemen en zonder dat iemand hen voor iets heeft aangeklaagd, ter dood veroordeeld? Sta onmiddellijk op en geef het bevel hen zo snel mogelijk vrij te laten. Als u dit niet doet, dan bid ik tot God, dat u een oorlog wordt aangedaan waarin u sneuvelt en door de wilde beesten wordt opgegeten." De keizer vroeg hem: "Wie bent u, dat u midden in de nacht mijn paleis binnenkomt en zo tegen mij zo tegen mij tekeer durft te gaan ?" "Ik ben Nicolaas, de bisschop van Myra." Zo verscheen hij ook aan die vertrouwensman van Constantijn en zei tegen hem: "Waar zit je verstand? Heb je dan geen enkel gevoel? Waarom heb je ingestemd met het doodvonnis van die onschuldige mannen? Schiet op en maak dat je ze bevrijdt. Als je dat niet doet, dan zal het in je lichaam krioelen van de maden en dan zal je familie voordat je het weet zijn uitgeroeid." Daarop vroeg de vertrouwensman: " Wie bent u, dat u mij zo bedreigt?"

"Laat goed tot je doordringen dat ik Nicolaas ben, de bisschop van Myra."

Toen de keizer en zijn vertrouwensman waren ontwaakt, vertelden zij elkaar onmiddellijk wat ze hadden gedroomd, en ze lieten de drie veldheren uit de cel halen. En de keizer vroeg hun: "Kunnen jullie soms toveren, dat jullie ons zo laten dromen?" Maar zij antwoordden hem dat zij geen tovenaars waren. En dat ze ook de doodstraf niet hadden verdiend. Toen vroeg de keizer: "Kennen jullie iemand die Nicolaas heet?" En op het horen van die naam strekten zij hun handen uit naar de hemel en vroegen God om hen door de hulp van de heilige Nicolaas uit dit gevaar te redden. Toen ze de keizer Nicolaas' hele levensverhaal hadden verteld en hij al zijn wonderen te horen had gekregen, zei hij: "Jullie kunnen gaan. En dank God, want die heeft jullie op voorspraak van Nicolaas bevrijd. Breng Nicolaas in mijn naam geschenken en vraag hem of hij mij niet langer wil bedreigen, maar voor mij en mijn rijk tot de Heer wil bidden. Een paar dagen later kwamen de drie veldheren bij de knecht van God [Nicolaas] en vielen voor hem op de knieën. "U bent werkelijk een knecht van God," zeiden ze, "u vereert en bemint Christus werkelijk." Toen zij hem alles hadden verteld, precies zoals het was gebeurd, hief Nicolaas zijn handen op naar de hemel, dankte God innig, stak de veldheren een hart onder de riem en stuurde hen naar huis.